De oprichter van het Regiment Limburgse Jagers, kolonel J.L.H.A. Antoni, was als regimentscommandant eveneens belast met de traditiehandhaving van het regiment. Hij heeft destijds in het Rijksarchief te Den Haag enkele brieven gevonden van de oprichter van het Regiment, kolonel J.E. Phaff; deze brieven heeft hij vervolgens uitgetypt. Ze geven enig inzicht in de oprichting van het Regiment van Phaff, met details over de rekrutering en eerste uniformering. 

I. 

Levensbeschrijving van Johannes Emilius Phaff

II. 

Zes brieven van Kolonel J.E. Phaff

 

               

Drie portretten van J.E. Phaff; links: als kapitein van het Franse cavalerieregiment "Royal Allemand", portret uit 1788 van Kunigunde Sophie Ludovika Reichenbach; midden: portret door Charles Howard Hodges, omstreeks 1795; rechts: pastel van Charles Howard Hodges, omstreeks 1813.

 

I. Levensbeschrijving van Johannes Emilius Phaff

Johannes Emilius Phaff (geboren 23 maart 1751 te Huis Te Werve te Voorburg, overleden 7 augustus 1823 te Wageningen) kwam uit een militaire familie. Zijn broer Maurits Adrianus (29 maart 1752 - 17 februari 1805) was ook kapitein, later kolonel in het Staatse leger bij het Regiment d'Envie; zijn zoons Jacques en Carel zouden ook in dienst gaan. Phaff trouwde in 1776 met Ida Jacoba Reigersman (geboren te 's-Gravenhage 4 mei 1755, overleden 4 februari 1829 te Wageningen).

Boven: Ida Jacoba Reigersman, de echtgenote van J.E. Phaff; portret door Hodges.

Links boven: trouwakte van het huwelijk tussen J.E. Phaff en I.J. Reigersman. (Trouwaktes van de  Grote Kerk van Breda, boek 1762-1783, pag. 233.)

Links onder: doopakte van Jacques Emile Phaff, 8 juni 1776 (Doopboek 1607-1810 van de Waals-Gereformeerde Kerk van Breda). Jacques was voor 1795 vaandrig in het Staatse Leger; in 1813 werd hij luitenant in het regiment van zijn vader.

 

        

 

De militaire carriere van Johannes Phaff is een opmerkelijke: hij nam al vrij snel ontslag uit het Staatse leger en ging in Franse dienst, ten tijde van de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog. Onder de naam Jean Emile Phaff de Werve diende hij van 8 april 1779 tot 2 december 1787 in het 3e Escadron Lichte Cavalerie "Franche-Comté" van het Regiment "Royal Allemand". Op al zijn portretten is duidelijk het lichtblauwe lint en de medaille van het "Institution de Mérite Militaire" te zien, de Franse militaire onderscheiding voor protestantse officieren die hij bij zijn pensionering ontving (de familie Phaff was Waals Gereformeerd). 

Links boven: Bericht in de Courant van 's-Hertogenbosch van 28 maart 1775, waarin vermeldt dat J.E. Phaff (hier J.C. Phaff) is bevorderd tot kapitein, en dat zijn positie als vaandrig door "den Cadet W.J. van Thielen" wordt ingenomen (eveneens een vergissing, dit moet zijn: J.W. van Thielen). 

Links onder: Bericht in de Leeuwarder Courant van 22 juni 1776, met vermelding van Phaff als kapitein. De kolonel-commandant van het Regiment Walen, kolonel Grenier, heeft sinds zijn bevordering de luitenant-generaal Smissaert opgevolgd.

 

        

Rechts boven: vermelding van J.E. Phaff als luitenant-kolonel "Bij de Armée" in het "Naamregister der Heeren Militaire Officieren, den Capitein Generaal, de Generaals, Lieutenant-Generaals, Generaals-Major [...] der Cavallery, Dragonders, Infantery, Artillery, Ingenieurs en Mineurs, in Dienst der Vereenigde Provintien [...]" uit 1794.

 

 

 

In de loop van 1792 keerde hij terug, vermoedelijk tijdens de 2e emigratiegolf uit Frankrijk na de bestorming van de Tuilerieën en de gevangenneming van Lodewijk XVI. Hij werd luitenant-kolonel in Staatse dienst (met als vermelding: "Bij d'Armée", oftewel zonder een aanstelling bij een regiment), maar nam in 1795 als aanhanger van Willem V ontslag. Hij werd koopman en schilder, en was enige tijd woonachtig in Neuwied (Duitsland). Op 23 november 1813 richtte hij, met toestemming van de Prins van Oranje, het regiment op dat zijn naam droeg en waarvan hij kolonel-commandant werd. Door ziekte nam hij geen deel aan de eerste gevechten in Breda; hij voegde zich bij zijn regiment in Breda op 22 december. Zijn regiment werd in 1814 opgenomen in het nieuwe Nederlandse leger als het Bataillon Infanterie van Linie nr. 2. 

Omdat hij zichzelf niet meer in staat achtte het commando te voeren over een eenheid te velde verzocht hij om een aanstelling als plaatscommandant in Gelderland, maar uiteindelijk liet zijn gezondheid ook dat niet toe; hij verzocht dan ook om met pensioen gestuurd te worden, wat in september 1814 met terugwerkende kracht per 14 januari 1814 werd toegekend. Op 18 oktober 1814 werd hij opgevolgd door lt.kol J. Speelman.

Johannes Emilius Phaff is de vader van de kunstschilder Carel Hendrik Phaff. Zelf was hij overigens ook geen onverdienstelijk kopiist en miniatuurschilder; hij signeerde zijn werk als "Le Chevalier Phaff" of "L. ch. Phaff" (zie het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie). Zijn echtgenote was eveneens werkzaam als kopiiste.

 

Rechts boven: bericht in de Koninklijke Courant van 7 april 1807, waarin J.E. Phaff en zijn vrouw worden vermeld naar aanleiding van een donatie van enkele schilderijen ten behoeve van de slachtoffers van de kruitramp in Leiden. Let op de vermelding van Phaff als "Oud-Kapitein der Kavallerie, in Franschen dienst"; en de onderscheiding met het 'Kruis van Militaire Verdiensten'.

Rechts onder: "Sibylle" het schilderij dat Phaff heeft aangeboden aan koning Lodewijk Napoleon ten bate van het Fonds van Schadevergoeding der stad Leyden. (Collectie Rijksmuseum Amsterdam.)

Onder: schilderij van Johannes Emilius Phaff, gedateerd 1785; Phaff heeft zichzelf links afgebeeld in het Franse uniform dat hij omstreeks deze tijd droeg. Schilderij uit een particuliere collectie. (Met dank aan de heer C.M. Maliepaard.)

 

        

 

II. Zes brieven van Kolonel J.E. Phaff 

Omdat J.E. Phaff al op leeftijd was, en hij al snel merkte niet meer geschikt te zijn om een veldeenheid aan te voeren, heeft hij brieven geschreven aan de Commissaris Generaal van het Departement van Oorlog, Johan Hendrik baron Mollerus (geboren te 's-Gravenhage, 30 oktober 1750 - overleden te Utrecht, 22 juni 1834), met het verzoek om een aanstelling te krijgen als garnizoenscommandant; later gaf hij aan met pensioen te willen gaan, iets dat hem inderdaad in september 1814 met terugwerkende kracht werd toegekend.  

De heer Nico Vroom van de Stichting Limburgse Jagers heeft deze transcripties teruggevonden in het archief van kolonel Antoni, en we zijn hem dan ook veel dank verschuldigd dat hij ons deze brieven heeft toegestuurd. 

 

1. Brief van J.E. Phaff aan de Commissaris Generaal van Oorlog, dd 8 december 1813:

“Den ondergetekende Colonel  
van een Regiment Infanterie  
aan het Departement van Oorlog.

 

            Mijne Heeren,  

 

                                   Ingevolge de aanschrijving gisteravond ontvangen, heb ik de eer hier bij te voegen een opgave der prijzen van de objecten in U W Eds aanschrijving den 3den dezer vemeldt:  

 

de capotten                            f 11. 15           doch zonder oranje kraag  
                                                                         alzo de stoffagie niet te  
                                                                         bekomen was. 
witte vesten met mouwen        5. 15  
dito pantallons                          4. 9. 8  
zwarte slopkousen                    1. 14  
zwarte stropdassen                         5  
hemden                                       2. 2  
schoenen                                     2.8               extra sterk en niet op de  
                                                                         koop gemaakt, maar aangemeten.  

 

De Bonnetten van policie zal ik uit de handgelden laten betalen. Komen dus hier in geen aanmerking.
            Ik heb order gezonden naar Rotterdam geene witte cassaaje Pantallons meer te geven, sullende nu door linnen pantallons en onderbroeken worden geremplaceert.
            Eerstdaags zal ik de Eer hebben een exacte lijst van alle de ontvangen objecten in te leveren, maar ik neem de vrijheid te observeeren dat voor de ontvangst der aanschrijving reeds ruim 300 Rantsels waren afgeleverd en dat zulks onontbeerlijk is voor den soldaat.  
            De sterkte van mijn Regiment is heden 303 man, de recruteering gaat zoo voorspoedig, dat mij dagelijks 20 à 30 man worden toegezonden.  
            Gisteren heeft een gedeelte reeds Garnizoensdienst gedaan en alle de buitenwachten bezet, dagelijks wordt ook geexerceerd en de order begint zich te vestigen.  
            Ik [heb] de Eer met hoogachting te zijn Mijne Heeren  
                        Uw Ed. onderdanige en gehoorzame dienaar  
’s-Hage 8 december 1813                             J.E. Phaff
                                                           Colonel van een Regiment Infanterie”  

 

2. Brief van de Commissaris Generaal van Oorlog aan J.E. Phaff, dd 19 januari 1814:

“[Copie No. 40]                                                               ‘s –Gravenhage, den [19] January 1814

 

De Commissaris Generaal  

 voor het Departement van Oorlog.

 

Aan                         

          

Den Colonel Phaff te Rotterdam

 

                       Mijnheer de Colonel:  
                        Ik informeer U dat zijn Koninglijke Hoogheid bij besluit van den 14 dezer No. 70 ingevolge het door U gedaan verzoek, Uwe honorabele demissie als Colonel uit den dienst heeft ontslagen, met last U tot een emploi voor te dragen aan Uwe Jaren geëvenredigd.  
                        Ten einde hier aan te kunnen voldoen, en U in de Generale te dien einde te doene voordracht te kunnen begrijpen, inviteer ik U mij op te geven, of een plaats als Commandant aan Uwe omstandigheden convenieert, of dat gij liever verkiest tot het pensioen te worden voorgedragen.  

 

Den Commissatis Generaal voornd

 

getekend B.V. Bentink tot Buckhorst.”  

[voor copij conform  
        J.E. Phaff 
        Colonel.]

 

3. Brief van J.E. Phaff aan de Commissaris Generaal van Oorlog, dd 22 januari 1814:

[Entr. 24 Jan. 1814 No. 30]  

 

Nota van genomen                                                                                                         J.E. Phaff,

  Notificatie                                                                                                                      Colonel  

             R.          

aan    

   

Zijne Excellentie den heer  

Commissaris generaal voor  

het Departement van Oorlog  

 

            Hooggeboren Heer!  
            Ik heb de Eer bij deeze te antwoorden op de GeEerde aanschrijving van Uwe Excellentie dato 19 Jan. No 40 en mijn dank te betuigen voor de keuze aan mij overgelaten, om mij tot een commandement of een pensioen aan Zijne Koninglijke Hoogheid voor te dragen. Daar mijn ambitie is, mijn Vaderland noch enigsints van dienst te kunnen zijn,zoo aarsel ik geen oogenblik het eerste te verkiezen.  
            Vergun mij dus Hoog Geboore Heer, de attentie van Uwe Excellentie een oogenblik bezig te mogen houden, op mijne tegenwoordige positie.
            Mijn hooge jaren vergetende, en met niets dan mijn hart en moed raadplegende, heb ik zoo ras den daageraad van onze verlossing kwam opdagen, een van de eerste geweest om goed en bloed er aan op te offeren, ik hoopte noch eenige jaaren te kunnen dienen, maar mijne wenschen, dien aangaande zijn verijdeld geworden. Wij hadden in Rotterdam een middel van bestaan, welk wij hebben laten varen, nu verlies ik een post van vier duizend guldens. Wij verlangen uit deze duure plaats te kunnen vertrekken en om in een stil, gezond plaatsje in Gelderland te kunnen neerzetten.  
            Mijn hooge jaren vergetende, en met niets dan mijn hart en moed raadplegende, heb ik zoo ras den daageraad van onze verlossing kwam opdagen, een van de eerste geweest om goed en bloed er aan op te offeren, ik hoopte noch eenige jaaren te kunnen dienen, maar mijne wenschen, dien aangaande zijn verijdeld geworden. Wij hadden in Rotterdam een middel van bestaan, welk wij hebben laten varen, nu verlies ik een post van vier duizend guldens. Wij verlangen uit deze duure plaats te kunnen vertrekken en om in een stil, gezond plaatsje in Gelderland te kunnen neerzetten.  
            Indien ik wel geinformeerd ben is Wageningen thans met geene vreemde troepen bezet; zoude het mij geoorloofd mogen zijn het commandement van die plaats te mogen solliciteeren? Ik vleye mij dat Zijne Koninglijke Hoogheid mij zulks op de voordracht van Uwe Excellentie, wel zal gelieven te accordeeren, en terwijl er geen Russche nog Pruijssische commandanten in dat plaatsje zijn, er geene difficulteiten zullen wezen, mij derwaarts te zenden.  
            Ik recommendeer mij instantelijk in de hooge protectie van Uwe Excellentie, en heb de Eer met eerbiedige hoogachting mij te noemen.  

 

Hoog Geboore Heer,                          

Van Uwe Excellentie  

De ootmoedige en onderdanige

dienaar                  

J.E. Phaff

Rotterdam, den 22 January 1814                                                                                     Colonel.”  

 

4. Bericht van J.E. Phaff, naar aanleiding van een rapport aan de Generaal Majoor van het 3e Militaire Arrondissement, aan de Commissaris Generaal van Oorlog, dd 30 januari 1814:

“2e Bat.Inf. v. Linie, door R’dam gemarcheerd den 23en verplicht geweest, door den sterken ijsgang te Charlois te vernachten, dat ingevolge mijne kennisgeving aan Uwe Excellentie bij missieve dato 23e dezer No 25 b. gemelde kommandant van beide marschpatenten aan den Commandeerende Officieren van het bataillon heeft uitgereikt en tengevolge van dien in uwer kompagnien naar Brielle en Uwer dito naar Hellevoetsluis gedetacheerd zijn, waarna het bataillon sterk 310 man den 24e in Delft is gearriveerd.

 Zondag 30 Jan. 1814”

 

5. Brief van J.E. Phaff aan de Commissaris Generaal van Oorlog, dd 6 maart 1814:

[Entr. 14 Maart 1814 Nr. 37]

     “De Colonel J.E. Phaff 

    

notificatie                                                                                                                                    aan

     

         S  

 

   

Zijne Excellentie den heer

202413                                                                                                 Commissaris Generaal voor

het Departement van Oorlog  

 

            Hooggeboren Heer!  
                                                           Uwe Excellentie deedt mij de eer op den 19 January No. 40 mij het navolgende te schrijven.
             “Ik informeer U dat zijn Koninglijke Hoogheid bij besluit van den 14 dezer No. 70 ingevolge het door U gedaan verzoek, Uwe honorabele demissie als Colonel uit den dienst heeft verleend, met last U tot een emploiement voor te dragen aan Uwe Jaren geëvenredigd.”  
            “Ten einde hier aan te kunnen voldoen en U in de Generale te doene voordracht te kunnen begrijpen, inviteer ik U mij op te geven of een plaats als Commandant aan Uwe omstandigheden convenieert, of dat gij liever verkiest tot het pensioen te worden voorgedragen.”  
              Uit ambitie en in de hoop van herstelling mijner gezondheid verkoos ik het eerste en heb vervolgens mijn Request dien aangaande aan Zijne Koninglijke Hoogheid ingeleverd, met eerbiedig verzoek om het Commandement van Doesburg of Zutphen, of een ander plaatsje te worden begunstigd.  
            Laat het mij geoorloofd zijn Uwe Excellentie een oogenblik met mijne belangen bezig te houden.  
            Nadat op den 15 november de oranje coquarde was opgestoken, heb ik geen oogenblik geaarseld tot de verlossing van mijn dierbaar vaderland mede te werken en ik kan vrijmoedig affirmeeren te behoren onder die, welke goed en bloed daarvoor hebben aangeboden, en niet hebben gewagt om te zien hoe de zaak (welke toen zeer gevaarlijk was) zoude aflopen; Dadelijk boodt ik mijn diensten aan den Magistraat van Rotterdam, die dezelve van de hand wees, en vervolgens aan de Heeren welke zich zo grootmodig aan ’t hoofd des Natie hadden gesteld, hetwelk ook ten gevolge had, dat ik met het oprichten van een Regiment wierd gechargeerd, waartoe ik had aangeboden de voorschotten te zullen en en zulks ook heb gedaan, zoo dat het onwedersprekelijk is, indein de zaak ware mislukt, ik mijn hoofd en mijn geld hadt verlooren en mijne vrouw en kinderen totaal geruineerd waren geweest.  
            Ik verkocht met groot verlies 20 duizend gulden van mijn effecten, organiseerde met alle mogelijke spoed 4 bureaux van werving in verschillende plaatsen en het gelukte mij in 13 dagen tijdt, 388 man aan te nemen (zonder 86 Pruisschen daaronder te rekenen, welke ik terug moest geven.) Deze manschappen kwamen niet hoger dan op f 6.12 per man, voor handgeld, den aanbrenger en alle verdere onkosten zoodat ik zeggen kan f 9000,- voordeel aan de schatkist te hebben toegebragt, wanneer men deze recruten (met die der generale werving), aan wien ik mijn bureaux den 9 Dec. moest overgeven vergelijkt.  
           In 3 weken tijds, was mijn bataillon in zoo verre georganiseert dat het zelve met 4 Compagnien gekleedt en bewapend naar Breda marcheerde hoe hetzelve zich aldaar heeft gedragen, behoef ik niet onder  ’t  oog van uwe Excellentie te brengen. 
           Toen ik uit Den Haag vertrok, was mijne gezondheid reeds zeer ongesteld, zoo dat ik wel voorzag, op mijne klimmende jaren, eene zoo actieve dienst niet te zullen kunnen uithouden. Door de zware fatigues te Breda, en het hard saison, wierd ik aangetast met een gevaarlijke zinkingskoorts en bekwam verlof van den Heer Gouverneur, mij naar huis te begeven, alwaar ik door goede oppassing en efficacieuse middelen, gevoegd bij mijn sterk gestel, ben hersteld geworden.  
            Tot heden heb ik met deze details niet voor den dag willen komen, omdat het niet delicaat is zichzelve te prijzen, en de gevoelens van mijn hart volgende, niet anders dan mijn plicht heb betracht.  
            Thans heb ik geoordeelt mij aan Uwe Excellentie te moeten adresseeren met ootmoedig verzoek Zijne Koninglijke Hoogheid, van mijn gehouden kennis verdrag te doen dragen en mij tot commandant van Zutphen of van een andere plaats te willen voordragen.  

Ik heb de Eer mij met Eerbiedige hoogachting te noemen  

Uwer Excellentie ootmoedige

Dienaar den Colonel voornoemd

Rotterdam, den 6 maart 1814                                                                                        J.E. Phaff.”  

[Op de achterzijde staat: afged. 26 Maart 1814

             31

Nr. 58]

 

6. Brief van Commissaris Generaal van het Departement van Oorlog Johan Hendrik baron Mollerus aan de Prins van Oranje, Souverein Vorst der Verenigde Nederlanden, dd 15 september 1814:

“De door het Provisioneel Bestuur van Nederland in November 1813 aangestelde Colonel Phaff, heeft ondanks deszelfs reeds gevorderde jaren, aan de toenmalige pogingen om de oude orde van zaken te herstellen, een actief deel genomen.

            Daar intusschen zijn goede wil zijne krachten te boven is gegaan, werd derzelve genoodzaakt zijn ontslag uit den actieven dienst in January j.l. te verzoeken, en dewijl zijne omstandigheden door het nemen van demissie in den jaar 1795 en daarbij komende tegenspoeden hem buiten de mogelijkheiden stelden om te kunnen bestaan, heeft hij zich om eenen sedentairen post geadresseerd, doch bemerkende dat het moeilijk zoude kunnen daarin geplaatst te worden, als gevoelende dat zijne phisique krachten tot het waarnemen van eenen sedentairen post zelfs mogelijk minder berekend zijn heeft hij om het pensioen verzocht, en dwijl gemelde officier zoo om zijne lange dienstjaren (als zijnde derzelve in 1792 reeds luitenant-Colonel geweest) als om zijne verknochtheid aan het Doorluchtig huis Uwer Koninklijke Hoogheid en om de bereidvaardigheid met welke hij tot het herstel der goede zaak heeft trachten mede te werken belooning verdiend, heb ik de eer Uwe Koninklijke Hoogheid voor te dragen aan den Kolonel Phaff het pensioen aan zijnen voor 1792 bekleeden rang verknocht van f 1200 ’s jaars te accordeeren in te gaan met primo Februari 1814 ten ware Uw Koninklijke Hoogheid mogh goedvinden hem den gunst te doen van den rang van Kolonel hem door het provisioneel Bestuur gegeven te conformeeren en aan hem het pensioen aan dien graad verknocht toe te leggen.

get. Moleerus.”

 

Keer hier terug naar de startpagina: