REGNERUS HENDRIK SJUCK GERROLD JUCKEMA VAN BURMANIA Baron RENGERS (Leeuwarden 10 oktober 1796 - 16 juni 1873) was pas 18 jaar toen hij als 2e Luitenant van de Rechterflankcompagnie vocht in de Slag bij Waterloo. In december 1813 was hij vrijwillig in dienst getreden en als adjudant met de rang van 2e Luitenant aangesteld door Generaal O. Graaf van Limburg Stirum. Tijdens het beleg van Delfzijl deed hij zijn eerste krijgservaringen op voordat hij naar het Bataljon Infanterie van Linie nr. 2 werd overgeplaatst. 

Voor de 50-jarige herdenking van de Slag schreef Wopke Eekhof het boek "Friesland in 1815", waarin hij de rol beschreef van Friezen in het Nederlandse leger tijdens de Waterloo-campagne; hiervoor correspondeerde hij met veteranen, die hem een schat aan memoires toezonden. Van Burmania Rengers was erg bescheiden over zijn -niet geringe- aandeel in de Slag bij Waterloo. Dankzij de getuigenissen van de heren Baron Van Aylva Rengers (voormalig 1e Luitenant van het Batallion Infanterie nr. 12) en C.F.F. van Hylckama (voorm. 2e Luitenant, Bat. Jagers nr. 27) kon Eekhof toch de belevenissen van Van Burmania Rengers reconstrueren. Een soldaat uit zijn compagnie, de schrijver Arie Ruysch, gaf een uitgebreide beschrijving van de krijgsverrichtingen van zijn voormalige 2e Luitenant. De brief verhaalt op lovende wijze hoe Van Burmania Rengers "als een oude soldaat pal stond in het moordend vuur" en vervolgens de aanval leidde op de Franse Garde. Ruysch roemt meerdere malen de "Eedele mensch" om zijn dapperheid en menslievendheid, zoals hij zelf mocht ervaren toen hij gewond raakte.

Toen in 1865 de ruim 2.000 nog levende veteranen van de Waterloo-campagne feestelijk werden onthaald in Leiden, ontmoetten de twee wapenbroeders elkaar weer. Voor Ruysch ging hiermee een wens in vervulling, nl. nog één keer zijn geliefde 2e Luitenant terugzien "aan deze zijde van het Graf". 

Boven: Portret van Arie Ruysch, omstreeks 1850; gereproduceerd op een kaart uit 1863, met daaronder een facsimile van zijn handtekening. 

Rechts: Eerste pagina van de brief van Arie Ruysch aan Wopke Eekhof.

 

 

        

De vermelding van Arie Ruysch (hier abusievelijk 'Ruis' genaamd) in het stamboek van het 2e Bataljon Infanterie onder nummer 1483.

 

De brief is in haar geheel uitgetypt, op een paar woorden na die niet te ontcijferen waren. Om het leesbaar te houden zijn her en der leestekens ingevoegd. Onderstreepte passages uit de brief door de auteur zijn ook in de transcriptie weergegeven, evenals hoofdletters. De brief is in het archief van het Fries Genootschap gearchiveerd onder nummer 1261; een kopie is op te vragen bij  Fries Historisch en Letterkundig Centrum "Tresoar".

 

“Vlissingen, 16 oktober 1865

 […] Heer!

 Uwen brief van 13’ dezes is mij heden ge[…]den en het is mij een aangename taak dezen te beantwoorden daar het hier geld om Lof voor een waardig Edelman tevens een voortreffelijk Edel Mensch. De Kieschheid, die zedelijke opoffering van Zich Zelven welke zich met de overtuiging van vervulde pligt doet natuurlijk Den Heer Baron van Burmania Rengers om Zijne Militaire daden zwijgen. Maar ik – dienende als korporaal volontair bij de Regter flank kompagnie van het 2e Batt’on Infanterie van Linie, onder beveel van den Luit.Kolonel Speelman terwijl de Heeren Kap’t P. Ruell, 1e Luit’ Morre, die den Heldendood op de citadel bij Antwerpen in 1831 stierf, en den waardigen Baron van Burmania Rengers, 2e Luitenant, mijne officieren waren, - ik mag op uwe uitnoodiging de waarheid niet terug houden.

Dat Den Heer VB; Rengers bij Waterloo – hoe Jong ook, door alle Zijne mede officieren, een uitstekend officier werd genaamd, en door Zijn ondergeschikten, waartoe ik de Eer had te behooren, werd bemind – als een Braaf en Menschlievens Mensch. Ik was getuige hoe hij, bij La Haye Sainte – waar Kapt’ Vere, 1e Luit Van Hasselt en Akersloot van Houten, zwaar werden gewond, - onverschrokken als een oud soldaat pal stond in het moordend vuur der Fransche Tirailleurs,  en bij het vallen van den avond toen dan Generaal Ditmaars kommandeerde: “Kolonel Speelman, vooruit, -spoedig met de bajonet chargeren, de Franschen wankelen, ze wijken!” – woorden die mij nog altijd in de ooren klinken, - dat toen de Luitenants Morre en van Burmania Rengers zich aan de spitse stelden en ons met koelbloedigheid en dapperheid in de Franse gelederen deden dringen en hunne laatste quarrées deed helpen verbreken. 

Dat ik onze officieren, en voornamelijk den Kapt’ Ruell, in ’t Hoofd Kwartier te [Saint Leu Fauciny?], het manmoedig gedrag van den Heer V:B:R hoog heb hooren prijzen. En den laatsten, dat den  Kolonel Speelman, op ’t Kasteel heb hooren zeggen, “Het grieft mij Kolonel, dat gij van Burmania Rengers in uw rapport hebt vergeten, dat zeide den Edele man, met de vrijmoedigheid van een oud en dapper soldaat, – en wat zijne goedheid betreft, diend het navolgende: bij La Haye Sainte werd ik door een gemeen Kogel ligt aan de regter hand gewond, nog zie ik hem bij mij staan: “Arme Jongen,” zeide hij, hij legde een boom blad met eenig vogt uit Zijn veld flesch op mijne bloedende hand en omwond die met zijn zakdoek.

Altijd was hij goed, opgeruimd en vol deelneeming voor ons, en niemand was er in de Komp’ie die het Blonde Baroninckje - zoo noemden wij hem, - niet lief had. Zie daar de waarheid. De Baron van Burmania Rengers was bij Waterloo dapper en onverschrokken; Menschlievend en goed, overal waar hij bij ons was, in’t Bosch van Boulogne, te St Prie, S.-Leu Taverny, Le Pourtoise, bij de Brug van Neuilly en Saint Euille[?] in Normandie, - dat betuig ik, en wil ik, des noods op mijn 69 Jarige ouderdom, met mijn bloed onderschrijven. 

Daar er hoegenaamd geene officieren van het 2e Batt’n Inf. van Linie meer in leven zijn dan de Heer van Burmania Rengers stelde ik er hoogen prijs op den Eedelen Man aan deze Zijde van het graf nogtans eenmaal de hand te mogen drukken. Dat geluk viel mij te beurt, daar ik hem in het Invalidenhuis te Leiden op 27 Juny jl mogt ontmoeten. Mijn hart klopte vol schoone herinnering aan de roemvolle dagen van 16, 17 & 18 Juny 1815. Vergun mij het geluk, zeide ik, daar wij elkander in dit leven niet meer zullen weder zien, deze schoone dag bij elkander te blijven. Wij grijsaards marcheerden gearmd, als met Jongelings Kracht bezield in de breedde gelederen van zoo vele oud strijders, achter Prins Frederik. Aan tafel zaten wij in den nabijheid van den Vorst vis à vis. Wij gevoelden ons al was het slechts van weinige vlugtigen oogenblikken, waarachtig gelukkig.

Wanneer persoonlijke dapperheid, Braafheid, regtschapenheid en andere uitstekende militaire deugden onbepaalde aanspraak op de M. W. O. geven, dan heeft de Baron van Burmania Rengers het Kommandeurskruis dier orde verdiend. Zoo heb ik hem leeren kennen, zoo zal ik zijn naam vereeren, zoolang God mij 't leven schenkt. Hij kan mij regt gelukkig maken wanneer hij mij Zijn photografisten portrait wilde zenden waar op ik het mijne met een bijschrift zal doen volgen. Groet Z.H.L.G. duizendmaal. Verschoon ’t slechte schrift, mijne oogen zijn zeer verzwakt.    […] Dienaar

A Ruysch                          

Ridder Nl’ Leeuw, Zilver Kruis van Waterloo, president der Kamer van Koophandel, lid van de gemeenteraad, & & & te Vlissingen”

De handtekening onder de brief van Arie Ruysch. 

Ondanks de vermelding van Van Burmania Rengers in het verslag van generaal Chassé, en de lovende woorden van de officieren van de andere compagnieën, werd hij niet voorgedragen voor een onderscheiding. Volgens de brief heeft kapitein Ruell hiertegen bezwaar gemaakt bij kolonel Speelman. Kolonel Speelman, een geharde veteraan die zelf ooit als tamboer was begonnen, schijnt bijzonder weinig achting te hebben gehad voor leden van adel, - waarvan velen inderdaad louter op basis van hun afkomst hun rang hadden verkregen. Kolonel Speelman passeerde Van Burmania Rengers ten onrechte. Hierover schreef de voormalige 2e Luitenant Van Hylckama aan W. Eekhoff op 8 juli 1865:

"Bij deeze paragraaph, reken ik mij verpligt, u meede te deelen, onderscheydene officieren welke met Hendrik, baron van Burmania Rengers, bij het 2de Battaillon van ligne, dienende de veldslag van Waterlo met hem bij woonden mij in in die tijden, verklaard hebbend zijn kloekmoedig gedrag, en voorbeeldige bedaardheid, eene te overwegende invloed, op de individus in de gelederen uitgeoeffend hebben, om hem niet onder iederen anderen chef, voor de Willemsorde te hebben doen voor dragen [...]

De dappere Speelman! Van Tamboer tot Colonel, opgeklommen, commandant van het 2e van Ligne dreef de regtmatige trots, den soldat Parvenu, tot dat uiterste, het welk, omtrent personen van aanzienlijke geboorte, onregtvaardig maakt, en moet hij zich wel eens uitgelaten hebben, die vrienden! zullen, ook wel zonder mijn toedoen, gedecoreerd worden.

De heer van Burmania Rengers, later met het 2de van Ligne te St. Leu Taverny, gecantonneerd, en met veele staf officieren bekend, zal u stellig nog veele, belangvolleren seignementen kunnen geven [...]"

Zo heeft Van Burmania Rengers voor zijn moedige optreden geen onderscheiding gekregen, iets wat de andere officieren van het 2e Bataljon ten zeerste betreurden.

         In 1817 verliet Van Burmania Rengers de dienst. Hij trouwde in 1823 met vrouwe H.C.J.W.  Barones van Asbeck, en werd achtereenvolgens benoemd tot Controleur der belastingen, tot Agent der Brusselsche Maatschappij van volksvlijt, daarna van 's Rijks schatkist en later Betaalmeester, alsmede tot buitengewoon Kamerheer des Konings, tot Vice-president der Commissie van administratie over 's rijks gevangenis en tot lid van Gedeputeerde Staten. Als zodanig is hij  in 1840 en 1848, waarnemend Gouverneur van Friesland en Voorzitter der Provinciale Staten geweest. Nadat hij in 1863 na 43 jaar al zijn taken had neergelegd was hij afgevaardigde der afdeeling Leeuwarden, bij de hoofdcommissie voor het Nationaal Gedenkteken te 's-Gravenhage.

Arie Ruysch (geboren te Rotterdam, 24 februari 1797 - overleden te Vlissingen, 25 oktober 1871) trad na de terugkomst van Napoleon op 1 maart 1815 als vrijwilliger in dienst bij het Bataljon Infanterie van Linie nr. 2. Als soldaat in de Rechterflankcompagnie maakte hij de Slag bij Waterloo en de veldtocht in Frankrijk mee. In september 1822 nam hij ontslag uit dienst als Sergeant-Majoor bij de 2e Afdeeling Infanterie. Hij was werkzaam bij de Ontvanger der Belastingen in Sas van Gent en daarna te Vlissingen. Daar vestigde hij zich later als wijnkoper en steenkolenhandelaar. In de jaren 1857 tot 1869 was hij lid van den Gemeenteraad en van 1852-1868 van de Kamer van Koophandel en Fabrieken. Intussen maakte hij ook faam als schrijver van blijspelen. Tijdens de Belgische Opstand en de Tiendaagsche Veldtocht (1830 - 1831),  wist hij in woord en daad de geestdrift onder de bevolking aan te wakkeren. Voor zijn inzet ten behoeve van kanonnier J. van der Bol schonk koning Willem I hem in April 1837 de Rijks-gouden medaille; in 1865 ontving hij het zilveren kruis der vrijwilligers van 1815.

Het boek van W. Eekhof, "Friesland in 1815" is hier te downloaden als PDF-bestand.

 

 

 

Links: Het bericht van het overlijden van Van Burmania Rengers uit de Leeuwarder Courant van 17 juni 1873.

Keer hier terug naar de startpagina: