Er is een groot verschil tussen de uniformen die in de voorschriften worden beschreven, de uniformen die door kunstenaars worden verbeeld, en de uniformen die de soldaten daadwerkelijk hebben gedragen. Om tot een authentieke uitbeelding te komen is veel onderzoek nodig. Van de korpsen die in 1813 zijn opgericht, waaronder het Bataljon Infanterie nr. 2, is echter moeilijk te achterhalen wat ze in die eerste maanden hebben gedragen; van de andere korpsen die later zijn opgericht is veel meer informatie te vinden. Verder zijn de voorschriften voor ons niet altijd even duidelijk: zo staat er beschreven dat de jas “van Engels model” moet zijn. Maar dit betekent alleen maar dat “één der panden wordt opgeslagen”; over de vorm van de kraag en de manchetten is verder geen informatie te vinden. De sjako wordt enkel omschreven als zijnde “7 Duim Rijnlandsch hoog”. 

We zijn dan ook veel dank verschuldigd aan dhr. Rob Wolters, die tussen maart en juni 2008 veel onderzoek in archieven heeft gedaan naar beschrijvingen van het uniform van de Nederlandse troepen in 1813 - 1815. Regelmatig ontvangen we nog aanvullingen en wijzigingen. Dank zij zijn onderzoek kunnen wij een vrij authentieke reconstructie maken van het uiterlijk voorkomen van de soldaten van het Bataljon Infanterie van Linie nr. 2. 

I.  1813: Het uniform van het Regiment van Phaff
II. 1814: Het uniform van het 2e Bataljon
III. 1815: het uniform tijdens de Waterloo-campagne
IV. Beschrijving van de uniform- en uitrustingstukken
V Afwijkingen op de voorschriften

 

I. 1813: Het uniform van het Regiment van Phaff

In 1813 werden plannen gemaakt om een nieuw Nederlands leger op te richten; het nieuwe bewind was er op gebrand dit leger zo snel mogelijk zou worden voorzien van kleding en uitrusting, die sterk moest afwijken van die van het Franse leger. Dit lukte: het was in december 1813 binnen drie weken mogelijk om een bataljon van vier compagnieën van het Regiment Van Phaff te kleden en uit te rusten. Uniformen, uitrustingstukken en wapens waren vanaf eind 1813 ruim voorradig, mede dankzij de zendingen vanuit Groot-Brittannië, dat gedurende de periode 1813 - 1815 maar liefst 16.000 uniformen, wapens en uitrustingstukken heeft gestuurd voor de opbouw van het nieuwe Nederlandse leger. De officieren van alle korpsen werden inmiddels geacht zo snel mogelijk het voorgeschreven uniform aan te schaffen.

Kolonel Phaff geeft in een brief van  8 december 1813 een opgave van de prijzen voor de gevraagde uitrustingstukken. De overjassen zouden geen oranje kraag krijgen, aangezien deze stof niet voorradig was. Uit de voorraden van de Nationale Garde waren witte karsaaien pantalons geleverd; Phaff verzocht deze niet meer te zenden, maar voortaan wit linnen exemplaren te sturen. Hij beschouwde een ransel als zeer noodzakelijk voor de soldaten, en de eerste zending van 300 stuks was al geleverd. De manschappen zouden van hun handgeld een bonnet de police moeten aanschaffen, maar het is niet bekend of dit al was gebeurd. 

Het Algemeen Bestuur nam een "Gepresenteerd Model" aan (Souverein besluit van 31 december 1813, nr. 9) waarin de infanterie van het Nederlandse leger gekleed zou moeten worden; het "Gepresenteerd Model" bestond uit het volgende: 

  • een wit mouwvest met één rij van 8 knopen en staande open kraag 
  • een grijze pantalon zonder band met smalle klep 
  • een paar zwarte slobkousen van imperiaal (gekeperd laken) met elk 12 knopen 
  • een grijze kapotjas 
  • een kalfslederen petje

Hieraan zouden later een rok en sjako worden toegevoegd. Aan het einde van 1813 waren aan het Regiment van Phaff de volgende zaken inmiddels geleverd:

  • kapotjassen 
  • mouwvesten
  • pantalons
  • zwarte slobkousen
  • schoenen
  • sokken
  • linnen onderbroeken
  • 495 kalfslederen petjes
  • 600 ransels
  • 500 patroontassen
  • 500 Britse geweren

Er werd nog niet gesproken over bajonetbandelieren, wellicht zijn deze pas in januari geleverd. Van de rest van het leerwerk is bekend dat het oud was, en dat de breedte van de bandelieren sterk onderling verschilde. Van de geweerriemen ontbraken bovendien veel gespen. Maar de eenheid was in ieder geval al redelijk compleet gekleed en uitgerust.

 

               

Links: twee soldaten en een appelverkoopster, prent van J.E. Marcus, 1814; midden en rechts: officier en infanteristen, details van een schilderij van P.G. van Os van de beschieting van Naarden in april 1814.

 

II. 1814: Het uniform van het 2e Bataljon

Het Regiment van Phaff werd begin 1814 opgenomen in het Nederlandse leger als het "Bataillon Infanterij van Linie nr. 2". In de eerste helft van 1814 kregen de manschappen de rok en de sjako met plaat uitgereikt, waarmee hun uitrusting compleet was. Ook werden aan de manschappen de volgende zaken geleverd: 

  • een wit vest zonder mouwen met een zak in het rechterpand en een strook op het linkerpand 
  • een halsdas van zwart broché met koperen gesp 
  • voor de onderofficieren, tamboers en pijpers de infanteriesabel nr. 1

In de daaropvolgende maanden werden de voorraden aangevuld en werden de volgende specifieke zaken geleverd:

  • onderofficiers kleding (rokken, vesten, lakense pantalons en sjako's, alles van fijner materiaal dan voor de manschappen)
  • linnen pantalons en slobkousen voor de onderofficieren
  • linnen slobkousen
  • pompons
  • de rest van de petjes en ransels
  • chevron galon, sabelkwasten en zwaluwnesten
  • trommen met toebehoren

De kleding was allemaal in Nederland en volgens model gemaakt (de ransels wellicht ook). Het leerwerk en de bewapening werd niet vervangen, en de kalfslederen petjes bleven ook in gebruik. De korporaals en kadetten waren nog niet voorzien van sabels, die kregen ze pas in 1815. 

 

Het uniform van het Bataljon Infanterie nr. 10

Het Bataljon Infanterie van Linie nr. 10, opgericht in Groot-Brittannië, werd op 23 september 1814 toegevoegd aan het BI2; op dat moment bestond het uit 132 man. Het was samengesteld uit krijgsgevangenen, die mogelijk vooral terug hebben willen keren naar Nederland. Met de manschappen kwamen ook de voorraden uniformen en uitrustingen mee; deze zouden ingeleverd worden in het magaijnz van het 2e Bataljon en mogelijk worden verstuurd naar het depot in Delft. Hier moest worden beoordeeld of de zaken bruikbaar worden voor het 2e Bataljon of voor andere eenheden. In een stuk van 24 december 1814 (Archief van Oorlog, nr. 30) worden de volgende zaken opgemerkt:

  • De rok van het 10e Bataljon was geheel anders dan dat van het 2e Bataljon, zijnde een Engels model, donkerblauw met scharlakenrode uitmonstering en witmetalen knopen, met daarop het monogram "WI". De rokken werden ingenomen en vervangen door rokken van het voorgeschreven model.
  • De sjako was van het “model der landmilitie”, de Britse pre-1812 “Stovepipe”. Ook deze werden ingenomen en vervangen door Nederlandse sjako's.
  • De Engelse pantalons en slobkousen waren wel geschikt, deze mochten de manschappen houden.
  • Alle 132 manschappen waren niet van vesten of vesten met mouwen voorzien. Vesten zonder mouwen waren in het magazijn van het 2e Bataljon ruim voorradig en konden worden uitgereikt, vesten met mouwen dienden aangemaakt te worden volgens het nieuwe model van 9 januari 1815. 
  • De ransels waren van geverfd linnen en werden vervangen door kalfslederen ransels van het voorgeschreven model.
  • De onderofficieren waren niet van sabelkwasten voorzien. 
  • De kapotjassen van het 10e Bataljon waren langer dan die van het 2e Bataljon en voorzien van witte knopen en een “liggende kraag”, waarmee zeer waarschijnlijk de ‘cape’ wordt bedoeld waarmee Britse overjassen waren uitgerust.

Veel materiaal kon dus vervangen worden of na enige aanpassing alsnog worden gebruikt. In maart 1815 leverde het 10e Bataljon bij het magazijn van kleding onder meer het volgende in: 

 
  • 350 nieuwe en oude rokken 
  • 92 nieuwe en oude mouwvesten
  • 4 oude pantalons
  • 379 nieuwe en oude sjako's
  • 608 oude linnen ransels
  • 174 nieuwe lederen petjes
  • 117 oude lederen halsdassen
  • 216 broodzakken
  • 728 watertonnetjes
  • 1 houten trom
  • 20 fluitjes
  • 130 pompons
  • 23 ellen kraprood laken
  • 594 dozijn witte knopen

Rechts: prenten van Langendijk: een fuselier (links) en een korporaal-sappeur van de Infanterie van Linie, 1816.

 

       

 

III. 1815: het uniform tijdens de Waterloo-campagne

In de tweede helft van 1814 werd door een commissie een nieuw uniform ontworpen. Het resultaat daarvan werd gevormd door het Souverein besluit van 9 januari 1815, nr. 10. De modellen werden verstrekt aan de korpsen troepen te voet bij departementale circulaire van 16 februari, nr. 18. Een aantal eenheden schaften uitmonsteringslaken aan om op de rokken de kragen en manchetten te vervangen: zo ontving het Bataljon Infanterie Nationale Militie nr. 8 in april 1815 oranje laken om de rokken om te bouwen; het Bataljon NM nr. 19 schafte hiertoe voor de officieren oranje linnen aan (over de manschappen wordt niets vermeldt). De meeste korpsen lieten het echter op hun beloop en besloten te wachten tot ze te zijner tijd nieuwe uniformen kregen uitgereikt. 

Ook het Bataljon nr. 2 ontving deze modellen; er zijn wat het Bataljon nr. 2 betreft één of twee verwijzingen gevonden over levering van goederen, maar niets over het vermaken van de oude uniform. De oude kleding werd niet aan de nieuwe voorschriften van 9 januari 1815 aangepast. Wel werd aan het bataljon in de eerste helft van het jaar het een en ander verstrekt tot reguliere vernieuwing van kleding; deze nieuwe kleding was wel van nieuw model. De stoffen waren genoeg voor ongeveer:

  • 16 rokken
  • 180 wijde broeken en slobkousen
  • 363 mouwvesten
  • 104 kapotten
  • 180 linnen pantalons en slobkousen
  • 40 rokken, pantalons, slobkousen en vesten met mouwen voor onderofficieren

Verder nog 35 sjako's en platen en 200 ransels. De onderofficierskleding diende ook voor onderofficieren afkomstig van het 10e Bataljon. In het voorjaar werden stoffen verstrekt om de witte karsaaien pantalons vervroegd te vervangen die het 2e Bataljon in 1814 had ontvangen. De onderofficiers-pantalons waren wel van grijs laken, en zoals gezegd hadden de manschappen van 10e Bataljon de Engelse pantalons en slobkousen behouden; zo was het hele bataljon in 1815 voorzien van grijs lakense pantalons.

Op 21 februari werden enige stoffen geleverd  voor rokken en vesten van onderofficieren en voor mouwvesten en kapotjassen voor manschappen. Op 7 maart werd het benodigde voor de vernieuwing over het eerste halfjaar verstrekt. Hierbij hoorde stoffen voor: 

  • ca. 25 rokken en 41 pantalons voor onderofficieren 
  • ca. 16 rokken, 180 pantalons en 363 mouwvesten voor manschappen 
  • ca. 180 linnen pantalons ( of minder en dan evenredig meer linnen slobkousen) 

Verder 100 ransels met witte riemen. Op 9 maart werd bovendien uit het magazijn van het opgeheven Bataljon nr. 10 verstrekt: 

  • 54 nieuwe grijs lakense pantalons 
  • 161 nieuwe grijs lakense kapotjassen (waarvan 100 reeds eerder verzonden waren) 
  • 93 gebruikte grijs lakense kapotjassen 
  • 40 nieuwe hemden 
  • 65 paren nieuwe schoenen 
  • 77 paren nieuwe sokken 
  • 343 nieuwe onderbroeken 
  • 57 paren nieuwe grijze slobkousen 
  • 957 nieuwe kammen 
  • 1472 nieuwe borstels 
  • 768 nieuwe ruimnaalden 
  • 630 nieuwe zakboekjes 
Aangezien het Bataljon nr. 2 onvoldoende leerwerk bezit werd verzocht om dat van het Bataljon nr. 10 te gebruiken.

Bij de mobilisatie was er nog steeds een tekort aan onderofficierskleding en mochten de overcomplete van ‘ordinaire’ kleding (dus van de manschappen) worden voorzien. Tijdens de veldtocht van 1815 was een klein gedeelte van de manschappen en een groter gedeelte van de onderofficieren dus voorzien van de nieuwe kleding, op de sjako's van het nieuwe model na. 

De definitieve invoeringsdatum van de nieuwe uniformen was 1 mei 1816. De bedoeling was om tegen die tijd resterende oude kleding te vermaken of te vervangen. Voor het vermaken van de oude rokken was een speciaal besluit nodig; dit was in 1815 meer uitzondering dan regel. In een inspectierapport van september 1817 merkt de de inspecteur-generaal der infanterie op: 

"Ik heb de Eer Uwe Excellentie te berigten, [...] dat de Kleeding, vooral bij het Bataillon van linie nº 2 en Nationale Militie nº 7 en 10, nog zeer ten achteren is, en de manschappen alle nog met de oude afgekeurde monteringen, en zelfs de oude decoratien voor flankeurs enz. gekleed zijn." 

        

        

Kapitein der Infanterie, 1816 (Langendijk)

 

Luitenant der Infanterie, 1816 (Langendijk); beide officieren dragen de sjako met de diadeemvormige plaat.

 

Schets van een flankeur van de 2e Afdeeling Infanterie in het nieuwe uniform, 1816.

 

IV. Beschrijving van de uniform- en uitrustingstukken

Hier volgt een uitgebreide beschrijving van de verschillende uniform- en uitrustingsstukken volgens de voorschriften van 1814 en 1815; tevens volgt een beschrijving van de sappeurs- en kampementsbenodigheden zoals deze waren voorgeschreven en/of geleverd aan het 2e Bataljon.

 

1. Rok
De uniformrokken waren van "Engels model", zijnde sluitend met één rij van 9 knopen, open staande kraag en één pand opgeslagen aan de achterzijde. De manchetten sloten met een gulp met 3 kleine knopen; de rok is gepaspelleerd langs de voorzijde en de splitten, evenals de gulpen en epauletten. De rokken moesten volgens voorschrift donkerblauw zijn, met kragen, mouwopslagen, voering en paspellering in de bataljonskleur. Per 2 bataljons werd een uitmonsteringskleur bepaald, te weten: bataljons nr. 1 en 9 – oranje, 2 en 10 – geel, 3 en 11 – wit, 4 en 12 – ponceaurood, 5 en 13 – scharlakenrood, 6 en 14 – lichtgroen, 7 en 15 – lichtblauw, 8 en 16 – roze. De knopen moesten van geel metaal zijn, halfrond met het bataljonsnummer er op. Of er uiteindelijk genummerde knopen werden gebruikt is niet waarschijnlijk (behalve dan wellicht door de officieren), aangezien er nog flink geschoven werd met de bataljons. NB: de kraag was, zo blijk uit bestudering van officiers-portretten uit 1814, aan de buitenkant in de uitmonsteringskleur, en gevoerd met donkerblauw.

Het model 1815 is voor de gehele infanterie donkerblauw met witte kraag, manchetten en paspellering, ponceaurode voering en panden. De kraag is nu sluitend, naar Frans model. De jas is ruimer gemaakt omdat het mouwvest er “des noods” onder gedragen moet kunnen worden. Deze rok is bij veel korpsen echter veel later ingevoerd: eind 1818 werden de bataljons der Staande Armée opgeheven en verdeeld over de militie-bataljons van hun afdeling. Begin 1819 werd het uniform van de infanterie der Staande Armee voorgeschreven voor de gehele afdeling; er worden dan voorschriften uitgegeven voor het aanpassen van de kleur der kragen en opslagen. 

 

2. Sjako

Het model sjako van 1814 was "7 Rijnlandsche Duim hoog"; ze was niet voorzien van de later zo karakteristieke nekklep en had geen stormband. De kokarde was zonder lis aan de voorzijde boven de sjakoplaat bevestigd. Volgens de voorschriften moesten de pompons wit zijn, met een top in de bataljonskleur, voor het 2e Bataljon dus geel boven wit. Deze pompon werd door een gat in de bodem aan de voorzijde op de sjako gestoken.

In 1815 werd een nieuw model voorgeschreven, dat lager was en voorzien van een nekklep en een stormriem. In plaats van de voorgeschreven diadeemvormige plaat werd nog vaak de oude gekroonde "W"-plaat gedragen. In een inspectierapport van een afdeling infanterie vermeldt de inspecterende officier dat hij de sjako's heeft laten aanpassen aan het nieuw model. Nekkleppen waren er waarschijnlijk al opgezet, nu werden er nog een aantal dingen aangepast. Zo wordt het gespje aan de achterzijde van de onderband weggenomen. De sjako wordt aan de voorzijde voorzien van een opgenaaid lederen kokertje voor de pompon, terwijl de nog aanwezige gaten in de bodem dichtgemaakt worden.

 

3. Pantalon en slobkousen

In 1814 waren nauwe grijze pantalons en halfhoge zwarte en grijze slobkousen voorgeschreven. Een gedeelte van de manschappen had in de winter van 1813 - 1814 witte karsaaien pantalons ontvangen, afkomstig van de Nationale Garde. In 1814 ontving het bataljon sluitende pantalons van wit karsaai; de pantalons voor de onderofficieren waren van grijs laken. 

Een speciale order vandhr. Mollerus dd. 18 mei 1814 vermeldt om zo snel mogelijk door te voeren: "... dat gedurende het zomerfeizoen, en zoo lange de gesteldheid des weders zulks, zonder nadeel voor de gezondheid, zal toelaten, bij alle de korpsen der troepen te voet dienst zal moeten worden gedaan in linnen pantalons en slopkousen...". Met het voorschrift van 1815 worden grijze wijde pantalons met grijze halfhoge slobkousen voorgeschreven, en als zomerdracht witte linnen wijde pantalons met witte linnen slobkousen. In het voorjaar werden stoffen verstrekt om de witte karsaaien pantalons vervroegd te vervangen. Bij Waterloo droeg het hele bataljon mogelijk al de grijze wijde pantalons, wellicht nog gedeeltelijk met de oude zwarte slobkousen eronder. De onderofficieren droegen mogelijk nog wel de sluitende pantalons.

 

4. Mouwvesten

Het mouwvest van 1814 sloot met 8 knopen, de mouwen waren van flanel en ongevoerd, sluitend met een knoop. De eerste 500 vesten met mouwen waren afkomstig uit Groot-Brittannië. Deze waren nog zonder uitmonstering, oftewel de kraag was nog niet in de bataljonskleur (citroengeel). In 1814 werden mouwvesten met uitgemonsterde open kragen geleverd. De reeds geleverde mouwvesten werden verbouwd; hiervoor werd in februari 1814 uitmonsteringslaken verstrekt. Dit werd overigens alleen aan de buitenzijde van de kraag gebruikt (vgl: bij missive van 16 maart 1814, nº. 60 werden aan het bataljon pontonniers, mineurs en sappeurs de modellen en het tarief van stoffen en maaklonen verzonden; en nº. 86 van dezelfde datum aan het bataljon mariniers. Bij het uitmonsteringlaken van het mouwvest wordt bij beide vermeld: “alleen voor het buijtenste gedeelte der kraag”).

De bataljons met witte uitmonstering hadden overigens donkerblauwe kragen, de ene keer van ‘ordiniar’ laken, de andere keer van onderofficierslaken, dat fijner was. Het tarief ging er verder van uit dat de mouwen ongevoerd waren, maar de modellen waren met gevoerde mouwen gemaakt. (Aanschrijving aan het 11e bataljon infanterie van 29 juli 1814 nr. 16 met bijlage; aanschrijving van de Generale Intendance van 11 januari 1816, nr 13-20, met bijlage missive van het bataljon artillerie nº. 4 dd. 31 oktober 1815: het 11e bataljon had 317 mouwvesten met- en de rest zonder mouwvoering gemaakt, het 4e bataljon artillerie alle mét mouwvoering. De discrepantie werd dus verschillend opgelost).

Het mouwvest van het 1815-model was vrijwel gelijk aan dat van 1814; bepaald werd dat het mouwvest “des noods” onder de rok gedragen moest kunnen worden:

“[het Noord-Nederlandse model] der vesten met mouwen [...] slechts acht knoopen voor in de lengte, twee op de schouders en ééne aan ieder mouw heeft overeenkomstig 't tarief van 1º April 1816, Nº. 43; [...]” (Missive van 18 november 1816, nº. 729)

“4º. [draagwijze van mouwvest onder de rok] Dat het model, hetwelk in der tijd uit 's Hage is gezonden, en waaraan zich acht knoopen van vooren bevinden, moet worden gevolgd, als zijnde het laatste tarief voor de confectie der kleedingstukken, met opzigt tot de hoeveelheid knoopen, daarop berekend. [...].

Dat, daar evenwel het aantehouden uit 's Hage gezonden bedoelde model, van eenen kraag is voorzien, welke niet kan worden toegehaakt, en ook geene voering in de mouwen heeft[...].” (Circulaire Aanschrijving van 3 november 1817, nº. 24)

De kraag was nog steeds open, maar voortaan wit, dus zonder uitmonstering. Dit model was in juni 1815 overigens maar sporadisch in gebruik. 

 

5. Kapotjassen

In 1813-1814 zijn in allerijl grijze kapotten gemaakt voor de Nederlandse troepen, ter vervanging van de bruine kapotten die verwarring zouden zaaien omdat de soldaten daarmee teveel op Fransen leken. Het gebruik van bruine kapotten was zelfs uitdrukkelijk verboden. De enige troepen die dat in het begin deden waren de Amsterdamse bataljons. Er is geen aanwijzing dat het 2e Bataljon die ooit heeft gehad.

Het model dat Teupken beschrijft is in 1817 gekozen uit de Zuid- en Noord-Nederlandse modellen. Helaas blijkt uit de tekst in het Recueil Militair niet welke van de twee gekozen is. Het model sluit met een dubbele rij knopen, heeft een sluitlis op de kraag en knopen en knoopsgaten in Franse stijl om de panden op te slaan; dit zijn specifieke kenmerken voor het Belgische model. 

Het Hollandse model had dit niet en leek veel op het Britse model: deze sloot met 1 rij knopen, had een open kraag en (vermoedelijk) geen epauletten; het vermaken van Britse overjassen naar het Hollandse model (wat soms voorkwam) kostte dan ook weinig moeite: alleen de liggende ‘cape’ hoefde te worden verwijderd, en vaak werden ook de mouwen alsnog gevoerd. 

Wat betreft de grijze karsaai waarvan deze jassen waren gemaakt: de kleur hiervan is niet gewoon geverfd, maar zwart en wit gemêleerd. Staaltjes van die stoffen zijn te vinden in het Nationaal Archief, 2.13.01. openbaar verbaal van Oorlog, inv. nr. 17, verbaal van 23 februari 1814, nr. 10.

 

6. Leren petje

Afbeeldingen van dit curieuze uitrustingstuk zijn nog niet gevonden. Hoe deze er uit zag is ook niet beschreven. Vanaf 1817 behoorden lederen petjes tot de scheepsuitrusting van de mariniers. Ook bij de werkkleding van de Nederlandse matrozen hoorde in die tijd (en in de Franse tijd) een lederen petje. De logische conclusie is dat dit petje tot voorbeeld heeft gediend voor dat van de landmacht van 1814. De levering van kalfsvel voor rijbroeken was ook nooit een probleem. Zo kan men in staat zijn geweest om in korte tijd grote aantallen aan te maken.  

De meest waarschijnlijke vorm is ongeveer als die van de Oost-Indische Pioniers: deze droegen een halfbolrond petje met klep. Mogelijk bestond ze dus uit vier driehoekige stukken aaneengenaaid met een overtrokken knoop op de top. De klep lijkt een typisch kenmerk van de uniformen van de Oost-Indische troepen, aangezien zelfs de stalmuts van de Oost-Indische Huzaren (Regiment nr. 7) een leren klep had, en deze juist bij veel modellen kwartiermutsen en stalmutsen van de Noord- en Zuid-Nederlandse troepen ontbreekt. De Indische variant had ook een oranje lederen kokarde aan de voorzijde; aangezien sjako's in de eerste maanden niet of nauwelijks voorhanden waren, is het heel goed mogelijk dat de Hollandse versie dit in eerste instantie ook had. Kokardes werden in ieder geval niet gedragen op de latere modellen kwartiermutsen.

Een ander mogelijk model voor het leren petje is die van de kozakken: sommige prenten van kozakken uit 1815 tonen een lederen pet met klep. Deze is halfhoog, cilindervormig (ietwat smal toelopend) en met een onderband, klep en vlakke bodem. Het zou ook heel goed kunnen zijn dat dit het model is geweest voor het kalfslederen petje.

In een circulaire van de Intendant-Generaal van 14 september 1815, nº. 27 (in het Recueil Militair weggelaten) staat bij punt 6 vermeld:

"Bij de meeste korpsen bevindt zich nog eenige voorraad van lederen petjes of kwartier-mutsen. Ik autoriseer bij deze de administrateurs, dezelve ten voordeele der equipements-kas, op de meest voordeelige wijze te verkoopen, en dus geene derzelve meer uittereiken." 

Daarbij wordt de opmerking gemaakt dat dat geen probleem zal opleveren omdat deze petjes ook in het burgerleven gebruikt worden. Het model zal dus geen specifieke militaire kenmerken hebben gehad. Het leren petje werd vervangen door de politiemuts van donkerblauw laken met witte band en paspellering en leren klep zoals voorgeschreven in 1815. 

 

8. Leerwerk

In een stuk uit 1817 wordt bepaald dat het leerwerk van de infanterie geregulariseerd moet worden. Op dat moment waren er blijkens dat stuk nog steeds verschillende modellen leerwerk in gebruik, zelfs binnen individuele bataljons. Er was leerwerk van Engels model, van Belgisch model en van Hollands of ‘Nieuw’ model. Het derde gedeelte model-leerwerk dat het Bataljon nr. 2 eind 1816 bezat was pas na de veldtocht van 1815 verstrekt. De bedoeling van de operatie was om - zoveel mogelijk binnen de Afdeeling - door uitwisseling te zorgen dat tenminste ieder bataljon gelijk uitgerust was; dit betrof met name de patroontassen. Bij Waterloo had het bataljon Engels leerwerk, de bajonetbandeliers gedeeltelijk met gespen en gedeeltelijk met platen van diverse modellen. 

 

8.1 Bajonetkoppel

Het Engelse leerwerk was bij de eerste leveringen in 1813 niet nieuw gemaakt, maar gebruikt leerwerk dat van allerlei korpsen afkomstig was, vooral Militie-eenheden. Het 8e en het 10 Bataljon Infanterie waren de enige 2 bataljons die reechtstreeks van de Britten hun Engels model leerwerk hebben ontvangen dat speciaal voor hen was gemaakt. (NB: Het Bataljon nr. 10 was in Engeland uitgerust met blauwe uniformen, soortgelijk aan die, welke naar Nederland werden gezonden. Het 8e bataljon was in Schwedt aan de Oder gekleed met rode rokken.) Veel koppels waren met gespen gemaakt, maar veel ook met koppelplaten; blijkens latere inspectierapporten werden ze willekeurig verdeeld over de bataljons. Bij een zending uit 1814 worden de platen wel apart vermeld, maar het aantal is kleiner dan het aantal koppels. Ook deze zending bestaat uit leerwerk van verschillende modellen en dus uit gebruikt leerwerk. De bajonetkoppels hadden een broek met een lang achterstuk, terwijl de vooropgaande riem bij de broek breed uitliep. Dit is ook te zien op tekeningen van Langendijk. 

In een rapport van de 2e Afdeling Infanterie in 1816 wordt vermeld dat het Bataljon van Linie nr. 2 van drie soorten koppels was voorzien:  een gedeelte Engels met gespen, een gedeelte Engels met platen en een derde gedeelte van Hollands model. De koppels met platen waren wellicht afkomstig van het Bataljon nr. 10; de platen waren speciaal voor dit bataljon gemaakt en droegen wellicht net als op de knopen het monogram "WI". Het leerwerk dat in april en mei 1815 werd gezonden was nieuw en speciaal voor Nederland gemaakt, want vrijwel alle koppels waren van een ovale plaat met gekroonde “W” voorzien; mogelijk zullen deze niet binnen het 2e Bataljon zijn voorgekomen.

De koppelplaten kwamen met allerlei versierselen, zoals nummers, cijfers en wapens; specifiek worden platen met de tekst "ESSEX" genoemd. Bij het maken en leveren van nieuw leerwerk van het nieuwe model, werden deze koppels niet verwisseld, maar uiterlijk zoveel mogelijk gelijk gemaakt aan het nieuwe model, met gesp bij de broek als de Franse koppels. Het korte stuk werd daartoe aan de achterzijde van de broek genaaid en het lange stuk aan het korte, zodat de naad op de rug zou vallen. Alleen voor de ovale koperen platen met een gekroonde " W" werd een uitzondering gemaakt. De daar mee uitgeruste koppels konden onveranderd blijven. Waar deze in voldoende mate aanwezig waren kon het hele bataljon er mee uitgerust worden. 

 

8.2 Patroontas

In de voorschriften van 1814 stond vermeld dat het lederen petje onder de bak van de patroontas bevestigd zou moeten worden met 2 riempjes, zoals bij de Franse patroontassen het geval was. Echter, de patroontassen van Engels model, die in het Noorden gebruikt werden, waren niet voorzien van deze 2 riempjes; ook het in Nederland gemaakte model patroontas voor de Koloniale troepen had deze riempjes niet.  Het Belgische model patroontas, dat naar Frans voorbeeld was vervaardigd, had dit wél; naar dit model werden vanaf medio 1815 de patroontassen geproduceerd, met als uitzondering dat de gespen van vertind ijzer bleven i.p.v. geelkoper. In 1817 werd bepaald dat deze riempjes verwijderd zouden worden, aangezien ze toch niet werden gebruikt. Bij het voorstel van de Inspecteur der 1e klas Kesman werd vermeld dat noch de kwartiermutsen model 1815, noch de lederen petjes geschikt waren om onder de bak te worden gebonden.

De Engelse patroontassen hadden blikken bakken en kleppen met afgeronde hoeken. Het Belgische model had een recht gesneden klep en koperen gespen aan de bak. Pas in 1815 werd in het noorden leerwerk voor de Belgische militie-bataljons besteld. Dit leerwerk was van het model als eerder aangemaakt voor de Koloniale troepen, dus zonder riempjes voor de veldpet. De enige afwijking met het latere model dat in Teupken wordt beschreven is dat de patroontassen een binnenklep van bazaanleder hadden. Eén door de leverancier Buijtenweg geleverde partij had zeemlederen binnenkleppen; deze heeft later tot model voor het koloniale leerwerk gediend. 

 

8.3 Ransel

In maart 1814 wordt in het Noorden een contract gesloten voor 26.000 ransels, waarvan 6.000 met zwart riemwerk. Deze waren van (on)geschoren kalfsvel. De draagriemen waren blijkens een inspectie-rapport V-vormig aangezet, met een hartvormig belegsel aan de buiten- en aan de binnenzijde. Aan de onderzijde had het ransel, zo blijkt uit een ander inspectie-rapport, op de hoeken passanten voor de draagriemen. Op het ransel der mariniers, zoals getekend door Teupken, lijken deze passanten ook voor te komen; het ransel model 1814 zal in vorm sterk op dit mariniersransel lijken. Een schilderij van een sergeant-majoor der vrijwillige jagers uit 1815 toont inderdaad een ransel van deze vorm. 

De oorspronkelijke draagriemen waren niet doorstikt. deze riemen rekten zeer uit, zodat het ransel onaangenaam laag kwam te hangen. In 1815 wordt besloten de draagriemen bij wijze van reparatie te vervangen door gestikte draagriemen, 1¼ duim of 32 mm breed. De oude draagriemen waren waarschijnlijk even breed. 

In 1818 is men bezig met het ontwerpen van een verbeterd ransel. Een afdelingscommandant verneemt dat de nieuwe ransels vooral een stuk smaller zullen zijn dan de oude. De maten voor het ransel van de West-Indische Jagers, zoals beschreven in het werk van Teupken, ondersteunen deze opmerking, omdat deze breder is. 

 

9. Sabels

Sabels werden gedragen door de onderofficieren, korporaals, tamboers, pijpers, hoornblazers en kadetten. Vanaf 27 mei 1814 werden aan diverse korpsen sabels voor onderofficieren, tamboers en pijpers sabels verstrekt: 

12 bataljons infanterie à 145 sabels:

  1.740 sabels

   4 bataljons jagers..... à 145 sabels:

     580 sabels

20 bataljons militie..... à 133 sabels :

  2.660 sabels (geen kadetten)

  4 bataljons artillerie.. à 911 sabels:

  3.644 sabels

  4 bataljons art. mil.... à 911 sabels:

  3.644 sabels

Totaal:

12.268 sabels

Daarbij enkele kleine korpsen en de Zwitsers:

13.200 sabels

Contracten voor de volgende aantallen sabels worden in de verbalen genoemd:

2200 sabels door Carl Leopold Köller (24 febuari)

2000 sabels door Schnitzler & Kirschbaum (17 augustus)

5000 sabels door Schimmelbusch & Zoonen te Solingen (6 september)

1000 sabels door Schimmelbusch & Zoonen te Solingen (1 november)

Op 1 januari 1815 was men er slechts in geslaagd om de onderofficieren, tamboers, pijpers en hoornblazers van sabels te voorzien. Daarna begon men pas aan de korporaals en kadetten, waarvoor nog 3000 sabels nodig waren (op 2 februari 1815 volgt de opdracht om deze te contracteren). Alleen de garnizoenscompagnieën moesten in 1814 met sabels van oud model uitgerust worden (17 per compagnie). Aangezien in geen enkel ander geval een dergelijke specificatie wordt vermeld kunnen we aannemen dat alle andere korpsen met model-sabels (Nr. 1, M1815) bewapend werden; er waren praktisch geen oude voorraden infanteriesabels.

Er bestaat een officierssabel naar het Engels model van 1803 en met de Engelse kroon, maar met het “GR” monogram vervangen door een “W”. Deze sabel moet in Engeland gemaakt zijn en zeer waarschijnlijk voor een officier van het Bataljon nr. 8 of nr. 10.

 

10. Distinctieve tekenen

De onderscheidingstekens voor onderofficieren, korporaals, flankeurs en muzikanten werden al vroeg voorgeschreven. Rangonderscheidingen werden al snel geleverd, maar de overige onderscheidingstekens waren nog niet voorhanden. Veel eenheden schaften zelf onderscheidingstekens aan, het zij door gebruik te maken van oude Franse voorraden (bv. epaulettenvan de Garde Nationale), het zij door improvisatie. 

 

10.1 Rangonderscheidingen
In de tweede helft van 1814 werd het galon geleverd voor chevrons voor de onderofficieren en korporaals, evenals de benodgde sabelkwasten voor de onderofficieren. Tot eind 1815 gaf het voorschrift aan dat de onderofficieren en korporaals alleen chevrons op de rokken zouden dragen, en niet op de kapotten of mouwvesten. Het galon diende in de kleur te zijn van de knopen: geel wol- of katoengalon voor de korporaals van de linie-infanterie en goud voor de onderofficieren; wit resp. zilver galon voor de Nationale Militie. Het galon diende gebiesd te zijn in de uitmonsteringskleur; de chevrons dienden de vorm van een winkelhaak te hebben, met de punt naar boven wijzens. Zowel qua biezen als qua vorm kon van dit voorschrift worden afgeweken. 

 

10.2 Zwaluwnesten voor de muzikanten
De tamboers en pijpers van de bataljons infanterie kregen zwaluwnesten voorgeschreven, de traditionele versiering voor muzikanten in het Nederlandse leger. Zwaluwnesten waren halfronde stukken laken met een versiering in dun galon en franje aan de onderzijde. De meeste korpsen droegen tot 1817 zwaluwnesten van laken in de uniformkleur, met galon en franje in de kleur van de knopen (wit of geel). Pas in 1817 werd het regel dat de zwaluwnesten dezelfde kleur hadden als de kraag van de uniform. 

Het Bataljon nr. 2 had in 1814 een contract gesloten voor de distinctive tekenen en was dus in staat om veranderingen te bedingen. Daarentegen spreekt dat de prijzen niet hoger waren dan bij andere bataljons en dat de leverancier (Budensick) tevens hoofd-leverancier van het Departement van Oorlog was. Het galon zal hoe dan ook volgens model van 1814 zijn geweest, dus met een "W" over een "M" geplaatst, - niet in oude Hollandse stijl met een vierkant midden boven. Bij een inspectie-rapport uit eind 1816 wordt vermeld dat de korporaal-tamboer van het bataljon zwaluwnesten met gouden bouillons en sergeant-chevrons droeg, waartegen werd opgetreden. Deze situatie stamt van na de indeling in Afdelingen; het bataljon had inmiddels geen tamboer-majoor meer. Wel kunnen we hieruit concluderen dat de tamboer-majoor in 1815 ook al bouillons aan de zwaluwnesten had. 

 

10.3 Pompons
De pompons zullen qua vorm volgens model zijn geweest; het Receuil Militair van 1813-1814 geeft de volgende omschrijving: "De pompons voor de infanterie zullen zijn wit en die der jagers groen, met een gekleurde top van de kleur der uitmonstering der rokken, zullende dezelve de lengte van 4¾ duim Rijnlands hebben, waar van wit en 1 gekleurd; - die van het 3e en 11e Battaillon Infanterie, als mede der twee battaillons Luikerwalen, zullen geheel wit zijn [de uitmonsteringskleur van deze bataljons was wit], die van de Artillerie rood met een zwarten top, en van de Pontonniers, Mineurs en Sappeurs lichtblauw met een zwarten top". 

In 1815 werd dit gewijzigd in wit voor de centrumcompagnieën en donkergroen over wit voor de flankcompagnieën. Echter, uit veel bronnen blijkt dat ook hiervan werd afgeweken door verschillende eenheden; het bataljon Infanterie van Linie nr. 6 had tijdens de Waterloo-campagne helemal geen pompons. De mogelijkheid bestaat dat meerderre eenheden geen pompons hadden, en dat ze wellicht uit Franse magazijnen pompons meenamen, zoals mogelijk te zien op een prent van een 'voltigeur' van de Nationale Militie. Het 2e Bataljon had wel pompons, maar over de kleur is ons niets bekend. Wellicht dat er al vroeg voor rode en groene pompons is gekozen als onderscheidingstekens voor de flankcompagnieën.

 

10.4 Flankeursdistinctieven

Grenadiers- en Voltigeursdistinctieven waren in 1814 op grote schaal ingevoerd bij de bataljons. Eind 1814 werd dit ongemoeid gelaten omdat toch eerdaags nieuwe uniformen ingevoerd zouden worden. In 1816 werd bij de definitieve invoering alsnog opgetreden tegen deze wildgroei van emblemen. (Eventuele epauletten en pompons waren inmiddels wel vervangen door de officiële distinctieven). 

In 1816 verwondert Kolonel Speelman van de 2e Afdeeling zich er over dat de flankcompagniën nog steeds niet van wings voorzien waren. De administratie gaf aan dat het galon daarvoor wel aangevraagd was, maar niet ontvangen. In het inspectie-rapport uit 1817 merkt de inspecteur-generaal der infanterie op dat vooral het Bataljon nr. 2 nog gekleed is in de oude uniform. Ook wordt opgemerkt dat het korps nog de oude flankeur-distinctieven droeg. Daaruit kunnen we concluderen dat ook het 2e Bataljon bijzondere flankeursdistinctieven had aangenomen; dit waren zeer zeker geen wings, gezien de opmerking van de kolonel. Een mogelijkheid is dat het rode en groene epauletten zijn geweest; maar tenzij de deze uit de voorraden van de Garde Nationale hadden ontvangen, waren er voor epauletten fondsen nodig, welke door de officieren of de soldaten moesten worden opgebracht. En het is mogelijk dat die daartoe niet genegen waren.  Wellicht werden als onderscheidingen voor flankeurs enkel gekleurde pompons, schouderflappen en/of lakense granaten en jachthoorntjes op de pandomslagen gedragen.

 

11. Kampementsbenodigheden

Bij aanvang van de campagne in 1815 werden de troepen voorzien van de benodigheden hiervoor. Een besluit uit 1816 geeft aan dat het Bataljon nr. 2 ook hierin goed was voorzien. Op 13 april 1815 kreeg het uit het kledingmagazijn te Brussel 435 watertonnetjes met draagbanden uitgereikt. Op 6 juni kreeg het uit het magazijn voor kampementseffecten te Nivelles eveneens:

  • 443 broodzakken
  • 48 hakmessen (één voor elke escouade)
  • 48 fourageerzakken (idem)
  • 62 bidons (wateremmers)
  • 61 soepbakken
  • 86 zes mans kookketels

Het was de bedoeling dat hierbij de benodigde foudralen werden geleverd, maar deze worden niet specifiek genoemd.

 

12. Sappeurs

Tijdens de slagen bij Quatre-Bras en Waterloo waren de Noord-Nederlandse bataljons infanterie en jagers nog niet van kolbakken voorzien. Ook wat de schootsvellen betreft moet daaraan getwijfeld worden. Eind 1815 informeerde de Intendant-Generaal in hoeverre de korpsen inmiddels van sappeursgereedschappen waren voorzien. Op de ingekomen rapporten wordt bij beschikking van 29 februari 1816, nº 25-43 het ontbrekende verstrekt. Uit de bijgevoegde rapporten blijkt dat de sappeursgeweren op een enkele uitzondering na nog niet waren verstrekt, en dat de Noord-Nederlandse bataljons Infanterie van Linie en Infanterie Nationale Militie nog in het geheel niet van sappeursbenodigdheden waren voorzien, met uitzondering van de sappeurssabels. Alleen de Zuid-Nederlandse bataljons infanterie hadden geheel of gedeeltelijk de benodigheden ontvangen.

Er was overigens wel één Noord-Nederlands bataljon dat al sappeursuitrustingen bezat voor 12 sappeurs, namelijk het 8e Bataljon (voorheen het 2e Bataljon van het Oranje Legioen), dat overigens niet bij het veldleger was ingedeeld. De Majoor Rappard van dit bataljon had naar verluid op eigen gezag deze laten aanschaffen. Bij de uitrusting hoorden o.a. kolbakken, schootsvellen en pastiche-baarden. Het bataljon werd bevolen dit ten laste van die majoor te laten (missives van 12 en 30 januari 1815, nº. 15 en 26). Begin 1816 blijkt dat de officieren van het bataljon deze kosten gezamenlijk op zich genomen hebben en dat het bataljon toestemming had gekregen om de kolbakken en schootsvellen te blijven dragen.

In het boek van Teupken in 1823 vinden we een gedetailleerde beschrijving waar de uitrusting van de sappeurs uit zou moeten bestaan; de modellen hiervoor zijn over het algemeen in 1815 vastgesteld (bij circulaire beschikking van den Intendant-Generaal van 21 oktober 1816, nº. 69-77 werd een nieuw model handschoen met stijve kappen aan de troepen te voet en te paard gezonden; bij circulaire beschikking van 4 augustus 1821, nº. 1 werd een nieuw model schootsvel voor sappeurs aan de Afdelingen en Regimenten infanterie gezonden). Bij Koninklijk Besluit van 28 september 1817, L. S2 nº 48 werd bepaald dat de kolbakken voortaan zonder nutteloze toevoegsels en versierselen zullen zijn (maar waar in eerste instantie veelvuldig van werd afgeweken):

"[...] Dat voorts de kolbaks, welke thans door de sappeurs der infanterie worden gedragen, voortaan eenvoudiger zullen worden gemaakt, zonder rooden hangenden kap, noch panashe, rooden appel en vangsnoer; en dat in plaats van dien, het bovenste gedeelte van het kolbak zal bestaan in eenen bodem gelijk aan die der schako's, evenwel zoodanig ingezet, dat het haar der muts niet worde bedorven, en dat de roode appel waardoor de panashe wordt gestoken, door eenen witten van gelijke grootte en form, doch zonder gat, worde vervangen."

De Kommissaris-Generaal van Oorlog, GOLTZ” (Circulaire van 4 october 1817, nº. 27)  

De oorspronkelijke modellen voor de sappeursgereedschappen werden vastgesteld door de Inspecteur-Generaal der Infanterie, de luitenant-generaal Tindal. Daar deze tevens het bestuur over het Belgische Departement van Oorlog had, werden de modellen in België aangemaakt. De benodigde artikelen voor 44 bataljons werden in het noorden publiekelijk aanbesteed bij beschikking van 28 febr. 1815, nº. 4. Het gereedschap bestond per bataljon uit:

  • drie bijlen met tassen en bandelieren
  • een zaag met tas en bandelier
  • een pik(-houweel) met tas en bandelier
  • een schop met tas en bandelier
  • een spade met tas en bandelier

Verder voor elke man:

  • een patroontas met riem
  • een paar handschoenen met kappen
  • een schootsvel
  • een berenvellen colbak met panache, vangsnoeren en overtrekken
  • een paar geborduurde bijlen met kronen voor op de mouwen der rok

Tindal had ook een model sabel en koppel gezonden, maar deze waren terzijde gelegd. Uit Teupken kunnen we afleiden dat de sappeurs uiteindelijk van de sabel van de West-Indische Jagers werden voorzien (het wapen werd later algemeen "sappeurssabel" genoemd). De aanbesteding van twee stukken mislukte: voor de schootsvellen waren geen intekenaars en deze werden vervolgens in België aanbesteed (missive 30 mei 1815, nº. 64). De colbakken werden geleverd door Bronkmeijer, maar afgekeurd op de kwaliteit van het berevel. Hij mocht een iets mindere kwaliteit leveren, doch tegen een lagere prijs en wel uiterlijk op 15 juni 1815 (missive 25 mei 1815, nr. 47-48; dit is wellicht de reden dat o.m. het Zuid-Nederlandse Bataljon Infanterie nr. 4 nog niet van kolbakken waren voorzien).

Eind 1818 worden de bataljons der staande armee opgeheven en verdeeld over de militiebataljons van hun afdeling. Bij deze reorganisatie wordt het aantal sappeurs vergroot tot 2 per compagnie, inclusief de 3 compagnien van het depot-bataljon. De 1e compagnie van elk bataljon geeft net als daarvoor bovendien de korporaal-sappeur. Gezien het grote aantal sappeurs bij de afdeling, wordt begin 1819 bepaald dat de korporaal-sappeur van het 1e bataljon de titulaire rang en distinctieve tekenen van sergeant zal dragen. Op het laatst van 1823 wordt deze titulaire rang omgezet in een effectieve rang.

 

Prijslijst van de uniformstukken van de infanterie. (Uit: Receuil Militair, 1815.) Klik met de rechtermuisknop op de afbeelding om deze te bekijken.

 

V. Afwijkingen op de voorschriften

De nieuwe uniformen die in de voorschriften van 9 januari 1815 werden voorgeschreven voor het Nederlandse leger werden nog niet, of slechts gedeeltelijk gedragen ten tijde van de Waterloo-campagne. Er werden in korte tijd snel na elkaar wijzigingen doorgevoerd, en het was gebruikelijk om oude uniformen eerst af te dragen voordat deze werden vervangen. Bovendien werden er bij een laatste reorganisatie op 21 april 1815 nog infanteriebataljons samengevoegd: dit waren veelal bataljons die in 1814 eenzelfde bataljonskleur toegewezen hadden gekregen (bv. de manschappen van het opgeheven BI7 werden opgenomen in het BI15; beide bataljons hebben als bataljonskleur lichtblauw). Om de uniformiteit binnen eenheden te waarborgen was dat de meest voor de hand liggende oplossing. Ook werd uitmonsteringslaken verstrekt om de uitmonsteringen op de rokken te vervangen.

In de circualire van 5 maart 1814 wordt duidelijk vermeld onder punt 7:

"Bij de infanterie zijn er geen grenadiers of voltigeurs. De beide vleugel-kompagnien zijn flankeurs. Aan de kompagnieën worden doorlopende nummers gegeven. De flank-compagnie op den regtervleugel bekomt No. 1, die op den linkervleugel No. 10." (NB: later worden de bataljons geherorganiseerd tot 6 compagnieën, waarbij de linkerflankcompagnie het nummer 6 ontvangt.)

Na de Waterloo-campagne en de bezetting van Parijs werden alle bataljons geïnspecteerd. In 1816 volgden naar aanleiding hiervan een aantal verordeningen die voor meer uniformiteit zorg moesten dragen, en afwijkingen van de voorschriften moesten uitbannen. In de circulaire van 20 maart 1816 werd aangegeven: 

“Orders voor de Algemeene uniformiteit in de kleding en het equipement van het leger, bevattende hoofdzakelijk: dat de […] flankeur kompagnien, behalve de wings, geene verdere distinctieve zoo als leeuwen-koppen, granaten, hoorns; […].”

Hieruit kunnen we afleiden dat de flankeurs van de verschillende bataljons onofficiële versieringen droegen, en dat de aanduidingen grenadiers en voltigeurs nog werden gebruikt, ondanks dat dit van hogerhand niet meer gebeurde. Op 28 juni volgde nog een “Nadere verordening voor de eenvormigheid in de kleeding en equipering; inhoudende: explicatie der order nopens de distinctieve teekenen van de flankeurs; […]”.

Zoals eerder vermeld droeg het BI2 in 1817 nog de oude uniformen, met afwijkende flankeursdistinctieven, alleen weten we nog niet welke. Uit beschrijvingen kunnen we opmaken dat er door meer eenheden van de voorschriften werd afgeweken, en op contemporaine prenten zijn een aantal van deze afwijkingen te zien; een aantal voorbeelden: 

  • Verschillende prenten tonen witte pompons met rode top i.p.v. wit met een groene top.
  • bij het 14e Bataljon Infanterie Nationale Militie droeg de rechterflankcompagnie rode-, en de linkerflankcompagnie groene pompons. 
  • Eenheden van het garnizoen van Breda (waartoe het 2e Bataljon ook behoorde) hadden volgens het rapport uit 1816 lissen op de kragen en manchetten.
  • Een schilderij van Matthieu van Bree, voorstellende de Prins van Oranje bij Quatre-Bras, laat een compagnie flankeurs van -vermoedelijk- BNM5 zien, zonder wings, maar met geheel oranje epauletten en rode pompons.
  • Langendijk toont een flankeur van de militie met de voorgeschreven wings, maar ook met een oranje bies op de pantalon.
  • Op een andere prent van Langendijk zien we een korporaal der flankeurs van de Belgische Militie met een rode pompon op de sjako en korporaalschevrons naar Frans model.
  • Uit dezelfde serie staat op een prent een sappeur van een militiebataljon; deze draagt op zijn kolbak een halvemaan en granaat; op de mouwen draagt hij gekruiste bijltjes met daarboven een kroon en daaronder een granaat.
  • Een Jager-Flankeur van Langendijk draagt groene wings met rode versieringen, jachthoorntjes op de jaspanden en een rood-groene pluim van Frans model.
  • Een prent van de Franse graveur Genty, gemaakt ten tijde van de bezetting van Parijs in juli 1815, toont een flankeur van de Militie met een rood-groene verenpluim en rode epauletten met groene halvemanen; dit zijn echter typisch Franse onderscheidingstekens, en men vermoedt dat de pluimen en epauletten zouden zijn geconfisceerd uit Franse magazijnen. Het onderschrift geeft aan dat het om een ‘grenadier’ zou gaan, hoewel het waarschijnlijker is dat het een voltigeur betreft.
  • Een prent in het Legermuseum te Brussel toont een tamboer van de Nationale Militie in een donkerblauwe rok met geheel oranje kraag, maar met donkerblauwe manchetten met oranje biesjes; de manchetten met een split, sluitend met 2 kleine knopen; de zwaluwnesten zijn wit met witte versieringen en franje.
  • Tamboers en pijpers van de Oost-Indische infanterie droegen zwaluwnesten in de kleur van de kraag, 2 jaar voordat dit in 1817 officieel voor alle korpsen te voet werd voorgeschreven; bij de Oost-Indische artillerie werden wel zwaluwnesten in de kleur van de rok gedragen, dus donkerblauw.
  • Een schilderij van een korporaal van de Compagnie Vrijwillige Flankeurs van het BJ16 laat zien dat zij op de pantalons gele biezen droegen.
  • Op een gravure van de Slag bij Waterloo is een Zuid-Nederlandse Jager te zien (met "Belgic" sjako), met op zijn patroontas een geelmetalen jachthoorn. Idem op een schilderijtje met als onderwerp het sneuvelen van lt.kolonel Coenegracht (Regiment Karabiniers nr. 1). 

Grenadiers kwamen officieel niet meer voor bij de infanterie; op de betalingslijsten van het fonds 1815 wordt voor de flankcompagnieën bij zowel de linie, jagers als militie gesproken van ‘flankeurs’. Dat de term echter vrij algemeen gebruikt werd blijkt o.m. in de mémoires van luitenant Scheltens van het Zuid-Nederlandse BI7, waarin duidelijk over grenadiers wordt gesproken. In de exercitie van 1815 staat in de pelotonsschool omschreven in de “Verordeningen omtrent het Schieten naar de Schijf”: 

    "Alle de koporaals, grenadiers en fuseliers zullen ieder jaar tot dit onderwijs overgaan [...]". 

In de flankeursdistinctieven kwam dit dan ook tot uitdrukking. 

De term flankeur of flanqeur werd gebruikt om de lichte compagnie (voltigeurs) aan te duiden. Gedurende de Napoleontische oorlogen was het al gebruikelijk geweest om de compagnieën grenadiers en voltigeurs beide als lichte infanterie in te zetten; vaak opereerden ze samen in het veld of bij een bestorming, zoals door J. Koch in zijn memoires wordt beschreven (Koch diende in 1Bat/RI2 als onderofficier der grenadiers gedurende de campagnes in Spanje, 1807-1814; in 1815 was hij luitenant-adjudant van het BNM17). In het nieuwe Nederlandse leger werd daarom besloten om de uiterlijke verschillen tussen beide compagnieën dan ook te laten verdwijnen en ze beiden aan te duiden als flankeurcompagnieën. Er werd sterk benadrukt dat deze compagnieën zichzelf niet meer als elite mochten aanduiden: het moesten vooral model-compagnieën zijn, "slecht zoo veel mogelijk bestaande uit manschappen van dezelfde lengte,", zodat het er op parades beter uitzag. Hoewel tijdens de Waterloo-campagne de flankcompagnieën veelvuldig zijn ingezet als lichte infanterie werden ze dit pas officieel in 1818, toen de bataljons Jagers werden opgeheven. Vanaf dan werden ze ook als zodanig specifiek getraind en kregen de compagnieën hoornblazers toegewezen in plaats van tamboers en pijpers.

Niet alleen werd er gewezen op de voorschriften voor de flankeurs, ook de voorschriften voor de andere manschappen en officieren dienden stipt te worden nageleefd. De sappeurs mochten geen vangkoorden en pluimen meer op de kolbak dragen, alleen een rode, later witte 'appel' (een ronde pompon). Hun leren schootsvel moest wit zijn, net als het leerwerk van de tamboers.  De officieren waren er in augustus 1815 al op gewezen dat ze hun sjerp om de middel moesten dragen in plaats van -zoals veel officieren schijnbaar deden,- over de rechterschouder; nu moesten ze er voor zorgen dat hun kleding volgens voorschrift was gemaakt. 

Het zou allemaal nog enkele jaren duren voordat alles helemaal op orde was. De oude partijen leerwerk bleven nog langer in gebruik, maar werden langzaamaan vervangen door het nieuwe 'Hollandse' model. Het oude leerwerk werd doorgestuurd naar de Schutterijen: tijdens de Tiendaagse Veldtocht in 1831 droegen enkele compagnieën Schutters bajonetbandelieren met een koppelplaat waarop een gekroonde "W", dezelfde die 17 jaar eerder per schip vanuit Groot-Brittannië werden aangeleverd en in de Bevrijdingsoorlog werden gedragen.

 

Keer hier terug naar de startpagina: