De Fransen trokken zich in november en december 1813 meer en meer terug uit Nederland, met achterlating van garnizoenen in enkele grote vestingsteden. Breda was in 1810 als vesting ontmanteld en had nog maar een zwakke bezetting. Op 8 december waren er vanuit Antwerpen nog versterkingen gestuurd, zijnde 800 Mariniers en 2 stukken geschut; samen met twee onvolledige bataljons Nationale Garde en douaniers groeide de het garnizoen uit tot ongeveer 2.000 man. De volgende dag werd het bericht verspreid dat de voorhoede van de Russische troepen, onder leiding van generaal-majoor Stahl, onderweg was om Breda in te nemen en reeds in Oosterhout was aangekomen.
|
Generaal-majoor Andreas Johan Hendrik van der Plaat (Grave, 11 februari 1761 - Antwerpen, 15 februari 1819). |
Generaal-majoor Stahl had de heer B.A. de Jong, een notaris uit Werkendam, verzocht het gerucht te verspreiden dat een enorme legermacht onderweg was om Breda te belegeren, voorafgegaan door tenminste 3.000 kozakken. Een patrouille van 200 man marcheerde op 9 december Breda uit, maar keerde haastig terug toen ze een Russische patrouille van 11 kozakken tegenkwam. De Jong werd diezelfde dag aangehouden, met de bedoeling dat hij het nieuws niet zou rondbazuinen; maar op 10 december werd om 6.00 uur ’s ochtends zijn bewaker weggeroepen. Samen met een zekere heer J.J. Sassen uit Den Bosch, die schijnbaar ook was aangehouden, ontdekte hij dat om 8:00 uur de laatste Franse soldaat Breda had verlaten en de poort letterlijk achter zich op slot had gedaan. Aangezien de bevolking huiverig was om de poort open te breken deden beide heren dit. De Jong haastte zich naar Generaal-majoor Stahl, en de eerste patrouille arriveerde om 9:30 uur in Breda. Een officier met 6 kozakken reed meteen de Antwerpse Poort weer uit; niet veel later kwamen 2 kozakken met 2 volgeladen karren en 30 krijgsgevangenen weer terug. |
Om 11:00 uur trok de Jong, samen met Generaal-majoor Stahl en de voorhoede van de Russische troepen, te weten 1.200 Kozakken, triomfantelijk Breda binnen. De kozakken vertrokken vrijwel meteen weer om de Fransen na te jagen. Op 12 december werden de sleutels van de stad aangeboden aan de Prins van Oranje, die tot Souverein Vorst der Nederlanden was uitgeroepen. Op dezelfde dag werd het bataljon Schutterij van 200 man versterkt met 300 vrijwilligers en onder bevel van luitenant-kolonel Janssens gesteld. Het bevel over de vesting kwam in handen van ritmeester Van Hoeij, de adjudant van generaal-majoor Stahl. De kozakken waren inmiddels verder getrokken; generaal Benckendorff, de Russische commandant, trok met 1.200 man , 2 escadrons huzaren, 4 stukken geschut en het "Streifkorps" van de Pruisische majoor Von Colomb, groot 170 Pruisische cavaleristen, Breda binnen. Ook arriveerde de gouverneur, generaal-majoor van der Plaat om het bevel over de vesting op zich te nemen.
De provisionele regering in Den Haag liet op 15 december vanuit Delft een compagnie kustkanonniers met geschut sturen; uit Willemstad werd meer geschut gestuurd dat zopas op de Fransen was veroverd. Het enige beschikbare Nederlandse infanteriebataljon dat kon worden gestuurd was een bataljon van het Regiment Van Phaff, dat 3 weken eerder was opgericht. Gekleed en bewapend vertrok het bataljon, bestaande uit 4 compagnieën, onder leiding van de majoor Rost van Tonningen op 17 december naar Breda (Kolonel Phaff zelf was te ziek om mee te gaan). Het vertrek was zo gehaast dat er geen patronen waren meegenomen. Van de 400 man van het bataljon waren er maar 180 die enige gevechtservaring hadden.
|
De Fransen zaten echter niet stil. Onder leiding van de generaals Roguet en Lefebvre-Desnouettes was een legermacht verzameld van ong. 12.000 man en 26 stukken geschut, die op 19 december de tegenaanval hadden ingezet; doel was om de weg naar het Franse hoofdkwartier in Gorinchem open te houden. De opmars verliep zeer snel en voorpoedig: de Russische voorposten te Zundert werden de volgende dag verdreven, en enige uren later arriveerden de eerste troepen tussen het dorp Prinsenhage en de vesting Breda. In de vesting was men ter ore gekomen dat de Franse soldaten was beloofd dat ze de stad na inname vier uur lang mochten plunderen. Desondanks was de stemming in de vesting goed: een Franse gezant die de vesting kwam opeisen werd afgewezen. Daarop begonnen de Fransen met het beschieten van de stad. In de ochtend openden de Fransen de aanval op de Antwerpsche Poort, welke verdedigd werd door 250 Russische Jagers. De vesting was gelukkig niet geheel ingesloten, zodat die middag Majoor Rost van Tonningen met zijn bataljon de stad kon binnentrekken; onmiddellijk werd deze ingezet bij de bedekte weg bij de Antwerpsche Poort die zwaar onder vuur lag. De eerste Franse aanval werd door Phaff's Regiment afgeslagen.
|
|
|
| Onder: Twee
foto's van de Antwerpsche poort (links de buitenzijde, rechts de binnzijde).
De poort en de vestingwerken werden met toestemming van Koning Willem III
gesloopt.
|
Boven: Marsroute
van het Regiment van Phaff, van Rotterdam naar Breda, 17-21 december 1813; met
dank aan dhr N. Vroom, Stichting Limburgse Jagers.
|
|
|
|
Men wist echter dat dit bataljon alleen, ondanks hun moedige optreden, niet voldoende was om de stad te behouden en met wachtte dan ook in spanning op het geschut uit Willemstad. Van der Plaat zond een patrouille onder adjudant Anemaet uit om de rivier te volgen en het geschut tegemoet te gaan, en tegen 15:00 uur werd nog een patrouille gezonden onder leiding van lt.kol Steinmetz, bestaande uit enkele kozakken en Bredasche burgers met gevorderde paarden. Tegen de avond kwamen zij terug met 2 schepen, het ene met 9 stukken geschut (12- en 24-ponders) en het andere met kruit en kogels. Als de patrouille van lt.kol Steinmetz een uur later was geweest was het geschut wellicht door een patrouille Franse lansiers van de Garde onderschept, die in de omgeving naar dezelfde schepen op zoek was. Uiteindelijk groeide gedurende het beleg het garnizoen uit zo’n 3.500 man en 12 stukken geschut, samengesteld uit Russische, Pruisische en Nederlandse troepen.
Toen de gevechten afnamen werd begonnen met het versterken van de posities rond de poort. Pruisen, Russen en Nederlanders, burgers en soldaten, werkten diep in de nacht door om de schepen uit te laden en de geschutsstelling gereed te maken; onderwijl bleven de Fransen onophoudelijk vuren. Er was lood ingekocht, zodat ook voor de infanterie patronen gemaakt konden worden. Na een nacht hard werken, bemoeilijkt door de onervarenheid van de burgers en troepen, en de taalproblemen, stonden 12 stukken geschut in stelling.
Op 21 december begonnen de Fransen om 13:30 uur met hun bombardement van de stad. De beschieting werd beantwoord met het geschutsvuur vanuit de stad en had als resultaat dat enkele Franse kanonnen buiten werking werden gesteld. De Fransen openden de aanval op de Waterpoort, dat niet door het geschut werd gedekt. Toen de aanval werd ontdekt werden 150 man van het bataljon van Phaff onder de 1e Luitenant Finkler en de zopas georganiseerde schutterij daarheen gestuurd. Daar hebben beide eenheden zich flink verweerd en de aanval van ongeveer 600 Fransen afgeslagen. Luitenant Finkler kreeg een schotwond aan zijn arm, maar bleef doorvechten met zijn manschappen; de sergeant J.T. Kouwenberg en 2 manschappen viel een groep Franse tirailleurs aan bij het zogenaamde 'Duitenhuisje'; Kouwenberg vocht eigenhandig tegen 4 van hen, waarvan hij er 3 neervelde en de 4e gevangen nam.
|
|
|
|
Foto's van de Waterpoort (links de buitenzijde, rechts de binnenzijde). De fotografen Kannemans en Zoon fotografeerden in 1869 -1870 de vestingwerken en de stadspoorten van Breda voordat zij werden gesloopt.
De hele dag door werd er gevochten tot de avond viel. In de nacht werden de dekplanken van de Slapende Brug voor de Haagpoort afgebroken; onder leiding van lt.kol Vertholen werden een aantal Friesche Ruiters gebouwd en geplaatst door de aannemers Huijzers en Moolenbergh. De volgende dag werden de gevechten hervat; de vijand bleek ook voor de Boschpoort te staan, zodat de vesting geheel omsingeld bleek. De 4 Russische kanonnen werden in het ravelijn geplaatst om de Fransen daar onder vuur te nemen, terwijl de Russiche vorst Gagarin met enkele honderden Kozakken en 4 stukken veldgeschut over het dorp Terheide naar het Nieuwe Veer werd gezonden om de waterweg naar Breda weer vrij te maken.
Na de Russiche tegenaanvallen trok de Franse legermacht zich in de nacht van 22 op 23 december terug op Antwerpen; ze hadden veel verliezen geleden. De naburige dorpen waren door hen grondig geplunderd. Na enkele benauwde dagen konden de burgers weer opgelucht adem halen en werd zelfs de verjaardag van Tsaar Alexander op 24 december gevierd. De angst voor een nieuwe aanval bleef, totdat de eerste Pruisische troepen onder Von Bülow en later ook een Brits contingent voor de poorten verschenen. De vesting, die zo lang door de Fransen was verwaarloosd, moest zo snel mogelijk weer herbouwd worden, en men zette dan ook iedereen aan het werk om de vesting weer in goede staat te krijgen. De bomen rondoom de stad werden gekapt, en huizen die binnen het schootsveld lagen werden ontruimd en gesloopt. Dit hield zelfs in dat er in januari 1814 geen burgers beschikbaar waren voor dienst in de Landstorm. Intussen werden meer Nederlandse troepen haastig naar Breda gestuurd, en werd Breda een doorvoer voor Pruisische, Russische en Britse troepen.
Het bataljon van Phaff’s regiment werd op 23 december aangevuld met 80 deserteurs uit Franse dienst en telde inmiddels 600 man. Kolonel Phaff, die zich op 22 december bij zijn regiment had gevoegd, schreef op 24 december 1813 aan de commissaris-generaal van Oorlog: “Lofwaardig hebben zij zich gedragen, zulks is de algemeene stem, en de Russische Generaal Benckendorff is er ten uiterste van voldaan.”
De Pruisische majoor Von Colomb zou later in zijn memoires schrijven: “Von die Holländer kam das Beste.”
Luitenant Finkler en sergeant Kouwenberg werden beide op voordracht van Kolonel Phaff bevorderd wegens hun gedrag, Finkler tot Kapitein, Kouwenberg tot 2e Luitenant. Bovendien werd Finkler aan Tsaar Alexander voorgedragen voor een ridderorde door Generaal Benckendorff. Ook de manschappen werden beloond: op 21 januari 1814 werd een machtiging verleend om als gratificatie 5 dagen soldij uit te betalen aan 21 sergeanten, 29 korporaals en 84 soldaten van het Bataljon Infanterie van Linie nr. 2, voor hun gedrag tijdens de actie.
Keer hier terug naar de startpagina: