Op 17 november 1813 was men begonnen met het insluiten van de vesting Naarden; de enige beschikbare troepen die men daarvoor had waren 4 bataljons Nationale Garde van Amsterdam, een 5e bataljon vrijwilligers en enkele kleinere vrijwillige eenheden. In de loop van de tijd sloten zich hier meer eenheden bij aan. Het kleine observatiekorps werd ondersteund door de Landstorm, die met de dag in getalssterkte toenam tot 1.200 man eind december. 

 

Generaal Kraijenhof werd op 24 november aangesteld tot gouverneur van Amsterdam, en als zodanig was hij belast met de verdediging van dit gebied. Met de beperkte eenheden die hij tot zijn beschikking had wist hij Muiden en Weesp te zuiveren van Franse troepen, en kon de belegering van Naarden beginnen.

Zijn tegenstander was Generaal Baron Quetard de la Porte, die het bevel voerde over een samengesteld garnizoen van ongeveer 2.250 man. Op 17 november, dezelfde dag dat in Amsterdam een Nederlands bestuur werd ingesteld en de omwenteling in feite begon, verklaarde Gen. Quetard de la Porte in staat van beleg. De bevolking werd geprest om mee te helpen met het weerbaar maken van de vesting tegen aanvallen van buitenaf. 

 

Rechts: Generaal Cornelis Rudolphus Theodorus baron Kraijenhoff (Nijmegen, 2 juni 1758 - Idem, 24 november 1840); schilderij van M. van Bree.

 

 

Veel had hij niet te vrezen, want de gebrekkige troepen die Generaal Kraijenhof tot zijn beschikking had waren niet in staat om een aanval op de vesting uit te voeren.  Zo hadden de manschappen bijvoorbeeld een tekort aan overjassen, zodat de soldaten de strenge winter moesten trotseren in hun rokken. Ook was er eind december aan verschillende eenheden geen soldij meer uitbetaald. Daarom had de belegering van de Nederlandse troepen een meer verdedigend karakter. Niettemin was de stemming onder de belegeraars goed.

Het beschieten van Naarden, april 1814. Rechts enkele infanteristen; op de voorgrond enkele mannen van de Landstorm. Detail van het schilderij van P.G. van Os, die als kapitein van de Landstom van Loosdrecht aan de belegering deelnam.

 

De Fransen daarentegen deden tussen 8 december 1813 en 15 maart 1814 maar liefst 26 uitbraakpogingen. Deze uitvallen waren met name bedoeld om zoveel mogelijk proviand te veroveren en in de vesting te brengen. Ook diende het om de compagnie pontonniers de gelegenheid te geven het voorterrein te ontruimen, wat door de belegeraars ernstig bemoeilijkt werd. De zwaarste verliezen die de Fransen leden werden veroorzaakt door desertie; het overgrote deel van het garnizoen bestond uit Nederlandse soldaten van de Nat.Garde en soldaten van Texel, en Pruisen van het 4e Bataljon, 4ème Regiment Étrangers, die elke mogelijkheid aangrepen om te deserteren. 

Al snel bleek dat Gen. Quetard onder geen beding de vesting zou overgeven. Vanaf 10 januari werden alle mannen van 18-60 jaar ter beschikking gesteld van de Kolonel der Genie Daulle, de ondercommandant van de vesting, om mee te werken aan het uitijzen der grachten. Om de belegering kracht bij te zetten werd Naarden vanaf 19 januari gebombardeerd, eerst nog onregelmatig, maar vanaf 14 februari dagelijks van ’s avonds 10 uur tot ’s nachts 4 uur. De bombardementen eisten niet veel slachtoffers, maar richtten zeer veel schade aan. Het artilleriepark waarover Gen. Kraijenhof kon beschikken groeide echter gestaag naarmate er meer geschut aangevoerd werd. Al met al nam de druk toe. Ook werden vanaf 24 februari holle granaten, beschilderd met Franse en Nederlandse teksten en gevuld met pamfletten de stad in geschoten.  

Briefje, verstuurd vanuit de vesting met behulp van duivenpost.

 

Doordat de Nederlandse troepen steeds beter georganiseerd werden, werd het voor de Fransen steeds lastiger om te fourageren buiten de vesting. Er begon langzaam maar zeker een gebrek te ontstaan aan levensmiddelen. In januari had het garnizoen en de bevolking in Naarden een tekort aan koffie, thee, zeep, olie, kaarsen, gort, erwten, bonen, tabak, jenever, schoeisel en linnen. Vanaf 1 februari werd er strikt gerantsoeneerd, wat onder de soldaten tot een levendige woekerhandel in jenever leidde. Tot tweemaal toe werden burgers uit de vesting gezet die niet over voldoende levensmiddelen voor 6 maanden beschikten, wat de druk deed afnemen. Om te voorkomen dat de honger hem zou dwingen de vesting over te geven besloot Gen. Quetard om de manschappen van de Nationale Garde en van de eenheid van Texel op 3 maart de vesting uit te zetten. Na een inspectie vertrokken 250 man met achterlating van hun rokken en sjako’s, de volgende dag vertrokken nog eens 120 man die eerst nog wachtdienst hadden. Maar diezelfde dag raakte de voorraad brandstoffen uitgeput, zodat bij de burgers voor veel geld turf en brandhout gekocht moest worden.   

Overgave van de vesting

Verschillende keren werden onderhandelingspogingen ondernomen: de eerste keer, op 6 december, werden de gezanten simpelweg afgewezen. Op 17 januari vertoonde zich een afvaardiging bij de Amsterdamsche Poort, die echter door enkele douanen onder vuur werd genomen. 2 dagen later probeerde men het nog eens, maar een uur na hun vertrek begonnen de Fransen met een beschieting vanuit de vesting. Op 10 en 26 februari werden de onderhandelaars al onder vuur genomen voordat ze de vesting goed en wel genaderd waren. Maar op 5 april, na een verschrikkelijk bombardement, liet Gen. Quetard de gezanten toe. De eerste besprekingen leidden niet tot een overeenstemming, evenals de onderhandelingen de volgende dag. Op 8 april verscheen met de Nederlandse gezanten een Frans officier, generaal Rostollant, die de boodschap bracht dat over 14 dagen er een algehele vrede zou zijn. Gen. Quetard gaf echter nog steeds niet toe.  Pogingen op 15 en 16 april en 2 en 4 mei bleven zonder resultaat. Op 5 mei echter verscheen een nieuwe parlementair, een Frans hoofdofficier der Artillerie genaamd Lude. Namens de nieuwe Franse regering bracht hij de order om de vesting te ontruimen. De Raad van Defensie werd ogenblikkelijk bijeengeroepen om de overhandigde stukken te onderzoeken. Op 7 mei werd bevestigd dat Admiraal Ver Huel de stelling Den Helder had ontruimd en zijn troepen op doortocht waren door Haarlem. De Raad van Defensie te Naarden erkende Lodewijk XVIII als Koning van Frankrijk en besloot tot capitulatie van de vesting. De Franse driekleur werd gestreken en vervangen door een witte vlag, begeleid door 21 saluutschoten. De aanwezige 2 compagnieën kustkanonniers vervingen meteen hun rood-wit-blauwe kokardes door oranje exemplaren.

De Kazematten voor Naarden, detail van het schilderij van P.G. van Os.

 

De bevolking werd verboden de Nederlandse vlag te hijsen voordat de Nederlandse bezetting de vesting zou binnentrekken. 8 mei kwamen Gen. Kraijenhof en zijn staf in de vesting aan om een inventarisatie te maken. De zieken, veteranen, vrouwen  en kinderen werden met 5 schepen naar Antwerpen overgebracht. Het Franse garnizoen dat op 12 mei de vesting verliet was sterk 60 officieren, 940 onderofficieren en minderen, 20 paarden, 2 houwitsers en een 12-ponder. De bezetting verliet met alle krijgseer om 7 uur ’s ochtends de vesting en defileerde voor de Nederlandse troepen die op de Bussumse Heide waren opgesteld. De Franse troepen trokken over Amersfoort, Kuilenburg, Heusden, Tilburg, Hoogstraten en Antwerpen naar Rijssel.

Om 9 uur trokken de Nederlandse troepen de vesting binnen: aan het hoofd Kolonel Bosch,  gevolgd door een detachement cavalerie, een eenheid vrijwillige scherpschutters, BI2, BI3, 1Bat & 2Bat Nat.Garde Amsterdam, BI4, 3Bat & 4Bat Nat.Garde Amsterdam, BI13, 5Bat Nat.Garde Amsterdam, een eenheid artillerie en een detachement cavalerie. De troepen werden met veel gejuich binnengehaald. Ze stelden zich aan weerszijden van de straat op, waarna om 10 uur Gen. Kraijenhof zijn intocht deed, gesalueerd met 5 saluutschoten. Uiteindelijk werd op het stadhuis, onder het gedonder van 21 saluutschoten, de Nederlandse vlag gehesen.

Wat het bataljon van het regiment Van Phaff betreft: op 1 januari 1814 werd ze opgenomen in de nieuw opgerichte Staande Armée en kreeg zij het nummer 2 toegewezen. Haar garnizoensplaats werd Delft. In maart werden 75 man ingelijfd van een compagnie vrijwilligers uit Goes, opgericht door de burgemeester van Goes, de heer Van der Spiegel. Op 18 april werden 3 compagnieën onder leiding van Maj. Rost van Tonningen naar Naarden gestuurd, samen met het BI4 onder Lt.-kol Poolman, om zich onder bevel van Gen. Kraijenhof te stellen. Het BI2 heeft geen prominente rol gespeeld in de belegering, maar het feit dat Nederlandse troepen zelf de vesting hebben kunnen belegeren was veel belangrijker. Het nieuwe bewind toonde de Geallieerden dat de Nederlanders zichzelf wilden en konden helpen bevrijden.

Herdenkingspenningen, uitgereikt in 1816 aan de deelnemers aan het beleg van Naarden. In totaal zijn er 901 exemplaren utgereikt, te weten 788 aan leden van de Nationale Garde van Amsterdam, 13 aan leden van de Nationale Garde van Weesp, 25 aan leden van de Amsterdamsche Burger-Artillerie (Korps van Schippers) en 75 aan het Korps Scherpschutters (Korps van Rooseboom). De penningen werden gemaakt bij de Metaalgieterij van De Heus en Zoon. 

 

Keer hier terug naar de startpagina: